Amerika
is het tweede vaderland van ieder vrij mens, zei een Engelse
professor een jaar of wat geleden. 'Het is nog steeds het enige land
ter wereld dat formeel en serieus zich bekent tot de gedachte "dat
alle mensen recht hebben op leven, vrijheid en nastreven van
geluk"'. De periode 1917 - 1949 levert de nodige voorbeelden op
waarin dit streven niet lukte: oorlog en crisis, kinderarbeid en
internering, corruptie in hoge ambten en de rassenscheiding. Maar
het ideaal - ontleend aan de onafhankelijkheidsverklaring van 1776 -
bleef.
Moeder van de
constituties
De constante
draagster van dit ideaal is de constitutie, de wet die de beginselen
van de staatsinrichting bevat en die hoger recht inhoudt dan gewone
wetten en ook minder makkelijk te wijzigen is. De Amerikaanse
grondwet dateert van 1787 en wordt beschouwd als de 'moeder van de
constituties', omdat zij niet alleen een van de vroegste voorbeelden
is, maar ook een van de duurzaamste. De staatkundige verhoudingen in
de Verenigde Staten zijn voortdurend in beweging, maar de structuur
van het bestel is in wezen onveranderd gebleven, ondanks de 27
amendementen die in de loop van de tijd op de grondwet zijn
aangebracht. Het achttiende amendement, dat in 1919 de
'drooglegging' (alcoholverbod) invoerde, werd in 1933 herroepen bij
het 21ste amendement omdat het onuitvoerbaar was. De eerste tien
amendementen, die 1791 tot stand kwamen, worden tot de originele
constitutie gerekend. Zij staan bekend als de Bill of Rights en
leggen de rechten van de mens vast. De voornaamste zijn:
persvrijheid en vrijheid van godsdienst (amendement I); verbod van
onredelijke huiszoeking (amendement IV); garanties voor een eerlijk
proces in strafzaken, inclusief het recht niet tegen zich zelf te
hoeven getuigen, berechting door een jury en rechtsbijstand
(amendementen V en VI), en het verbod van een wrede of
ongebruikelijke straf (amendement VIII). Na de burgeroorlog
(1861-1865) kwamen daarbij het verbod van slavernij (amendement XIII)
en een algemener geformuleerd veertiende amendement dat een ieder
gelijkheid voor de wet en een behoorlijke rechtsgang garandeert. De
Amerikaanse grondwet is vooral een inspirerend staatsstuk door de
vrijheidsgedachte die erin is belichaamd. Zij 'is gemaakt voor
mensen met fundamenteel verschillende opvattingen', zei de befaamde
raadsheer in het Hooggerechtshof Oliver Wendell Holmes in het
Lochner-arrest(1905). Kenmerkend voor de Amerikaanse
staatsinrichting is dat zij eenheid propageert door ruimte te laten
voor maatschappelijke en politieke verscheidenheid. De grondwet is
in het leven geroepen, zo zegt de aanhef, 'om aldus een volmaakter
eenheid te vormen', maar dat gebeurt in een stelsel waarin gewicht
en tegenwicht - om niet te zeggen: regelrecht touwtrekken - centraal
staan. Er is een voortdurend touwtrekken tussen de federatie en de
deelstaten. Dat gebeurt ook tussen de drie gescheiden machten in de
staat: wetgevende macht (congres), uitvoerende macht (president) en
rechtelijke macht (met aan de top het Hooggerechtshof). Soms geldt
dat ook binnen een van die drie, zoals tussen de Senaat en het Huis
van Afgevaardigden, de twee kamers van het congres.
Verkiezingen en
partijen
De leer van de
scheiding van de machten in de staat brengt mee dat de president en
het Congres elk een eigen kiezersvolk hebben. Zij worden werkelijk
apart gekozen. Soms is het zo dat een populaire president ook zijn
partijgenoten in het Congres aan een meerderheid helpt door het coat-tail
effect: de president sleept de meerderheid voor zijn partij in
het Congres als het ware aan zijn jaspanden in de wacht. Ook hier is
er echter een tegenwicht, al was het alleen omdat de
presidentsverkiezingen een maal in de vier jaar plaatsvinden terwijl
de leden van het Huis van Afgevaardigden elke twee jaar verkozen
worden, tegelijk met een derde van de senatoren. Partijdiscipline op
het nationale vlak is in Amerika dan ook een moeizame zaak. De twee
grote partijen die al meer dan een eeuw de nationale politiek
beheersen - Democraten en Republikeinen - hebben het karakter van
een losse, pragmatische federatie van vogels van diverse pluimage.
Dit wordt verder in de hand gewerkt door het federale stelsel. Het
verkiezingsproces is sterk gekoppeld aan de staten. Dit brengt het
bestaan van eigen partijorganisaties mee. De ideologische lading van
de twee grote partijen is niet erg uitgesproken. Het zijn voor alles
doelorganisaties gericht op het winnen van verkiezingen, met name
het bemachtigen van het Witte Huis. Het is tekenend dat de
Amerikaanse partijen niet elk jaar een partijcongres houden, zoals
in West-Europa gebruikelijk is, maar een maal in de vier jaar. Die
nationale partijconventie staat in het teken van het aanwijzen van
de kandidaat voor de presidentsverkiezingen. Zo een nationale
conventie is van oudsher een heel circus. Oorspronkelijk werden de
deelnemers vaak aangewezen door de lokale partijbonzen, die dan de
zaak verder bedisselden in spreekwoordelijk geworden 'met rook
gevulde achterkamers' op de conventie. Later gingen steeds meer
staten officiële voorverkiezingen (primaries) houden. De op die
manier aangewezen delegaties hebben vaak het recht, als hun
kandidaat het in de eerste ronde van de conventie niet haalt, hun
stem over te dragen aan een ander blok. De eigenlijke
verkiezingsstrijd is een enorme slijtageslag. Truman won in 1948
tegen alle voorspellingen in zijn herverkiezing niet in de laatste
plaats dank zij een uitputtende rondreis (whistle- stop-tour)
van 31700 mijl, waarin hij 356 toespraken hield. Zeker sinds de
tweede wereldoorlog zijn ook steeds grotere bedragen nodig om de
campagnes te financieren. Dat Amerika een tweepartijen systeem heeft
kent allerlei redenen, maar het verkiezingsstelsel is een
belangrijke. De leden van het Huis van Afgevaardigden worden gekozen
per district. Ook voor de keuze van de president geldt geen
evenredig kiesstelsel. Weliswaar brengt het hele volk zijn stem uit,
maar dat gebeurt getrapt. Er is een college van kiesmannen, die per
staat worden aangewezen. De winnaar van de staat krijgt alle
kiesmannen ook al won hij slechts met enkele percenten verschil. Ook
deze methode is dus niet gunstig voor andere partijen. Helemaal afwezig zijn deze overigens nooit geweest. De Droogleggingspartij
heeft bij enkele presidentsverkiezingen in bepaalde staten de grote
partijen in de wielen gereden; oud-president Theodore Roosevelt trad
in 1912 op met een afgescheiden progressieve partij; en in de
jaren twintig verwierf de senator uit Wisconsin, La Folette, zich
bekendheid, zij het met weinig stemmen, als voorman van een
hervormingspartij. Het gebrek aan ideologische profilering van de
twee grote partijen betekent overigens niet dat er geen verschillen
zijn. Van oudsher steunen de Democraten op de zuidelijke deelstaten,
etnische minderheden en de vakbeweging, terwijl de Republikeinen
gelden als de partij van het zakenleven. Een republikeinse
afgevaardigde kenschetste het verschil eens eenvoudig doch treffend
als volgt: 'Zij (de Democraten) vertellen de mensen wat zij voor hen
zullen doen, wij vertellen de mensen waar wij de overheid van af
zullen houden voor hen te doen'.
Het Congres
Op een heuvel in de
federale hoofdstad Washington D.C. staat een imposant wit gebouw dan
synoniem is met de wetgevende macht die er huist. Men heeft het over
the Hill als men het Congres bedoelt, of over het Capitool,
zoals de officiële naam luidt. Het is van veraf te zien, want er
mag in het federale regeringscentrum niet hoger gebouwd worden dan
het Congresgebouw. Een grote koepel verbindt twee symmetrische
vleugels: een voor het Huis van Afgevaardigden en een voor de
Senaat. De architect bedoelt tot uitdrukking te brengen dat beide
kamers gelijkwaardig zijn. Maar er zijn wel verschillen in
zittingsduur, samenstelling en bevoegdheden. Het Huis van
Afgevaardigden telt 435 leden en wordt iedere twee jaar in zijn
geheel gekozen. De korte zittingstermijn maakt het tot een heel
directe volksvertegenwoordiging. De Senaat telt twee leden voor
iedere staat, die zes jaar zitten. Iedere twee jaar wordt een derde
van de senatoren vervangen. Deze formule maakt dat de senatoren als
'vertegenwoordigers van de bestendigheid' gelden. Bovendien is in de
Senaat de gelijkheid van de staten tot uitdrukking gebracht. Groot
en klein - en de verschillen lopen in de miljoenen inwoners - hebben
immers elk twee senatoren. Een speciale bevoegdheid van de Senaat is
het goedkeuringsrecht ten aanzien van verdragen (twee derde
meerderheid is vereist) en ten aanzien van benoemingen door de
president van (hogere) overheidsfunctionarissen. Het Huis van
Afgevaardigden moet beslissen over (op basis van een stem per staat)
als bij presidentsverkiezingen geen kandidaat de meerderheid krijgt.
De voorzitter (speaker) van het Huis is, na de vice-president, derde
in de tussentijdse opvolging voor het presidentschap. Beide
situaties hebben zich overigens nog nooit voorgedaan. Het Congres
als geheel heeft een recht van impeachment: een speciale
procedure om de president en andere hoge functionarissen, zoals
federale rechters, uit hun ambt te ontzetten. Daarbij beslist het
Huis over de beschuldiging en geeft de Senaat (bij twee derde
meerderheid) een eindoordeel. Deze zware procedure is slechts twee
maal tegen een president toegepast, tegen Andrew Jackson in 1868 en
tegen Jefferson Clinton in 1998. In beide gevallen kwam het echter
niet tot afzetting. Maar de dreiging van impeachment leidde in 1974
wel tot het aftreden van president Nixon na het Watergate-
schandaal.
De hoofdtaak van
het Congres is wetgeving. Alle leden van Huis en Senaat kunnen
wetten voorstellen (en doen dat veelvuldig). Bij bijna alle
belangrijke onderwerpen ontstaan in beide kamers verschillende
versies. Deze worden dan verzoend in een zogeheten 'conferentie',
een paritair samengestelde commissie. Om wet te worden moet een
voorstel door beide kamers aanvaard zijn en ondertekend worden door
de president. Deze heeft een veto, maar dat kan door een twee derde
meerderheid van het Congres overstemd worden. Het is dus een
opschortend veto. De vijfde president, James Monroe (1817 - 1825),
heeft slechts een maal van zijn vetorecht gebruik gemaakt; Franklin
D. Roosevelt boekte in zijn lange ambtsperiode van twaalf jaar en
een maand een record van 631 maal en werd slechts negen keer
overstemd. In de loop van de tijd zijn er over en weer wel een paar
slimmigheidjes ontwikkeld. Zo kan een president in de laatste tien
dagen van de zittingsperiode van een Congres - van oudsher een
periode van koortsachtige wetgevingsactiviteit - veto's uitspreken
door een wet gewoon niet te tekenen. Hij steekt haar als het ware in
zijn zak (een pocket veto) en dat bespaart allerlei
vervelende uitleg. Omdat het Congres niet meer bijeenkomt, is
dit veto in de praktijk definitief. Franklin D. Roosevelt gebruikte
dit middel 260 keer. Omgekeerd heeft het Congres de methode
ontwikkeld om maatregelen waarover een veto is aangekondigd, onder
te brengen in begrotingswetten. Aangezien de president geen deelveto
heeft, moet hij dan kiezen of delen: een veto betekent afzien van
vaak onontbeerlijke geldmiddelen. Afgeleid van de wetgevende taak -
maar in de praktijk van zelfstandige betekenis - is het doen van
onderzoek door het Congres. Dat gaat meestal gepaard met
hoorzittingen waar getuigen onder ede worden gehoord. Anders dan in
Nederland zijn in de Verenigde Staten parlementaire enquêtes aan de
orde van de dag. In de periode 1792 - 1925 hield het Congres 285 van
dergelijke onderzoekingen, in de periode 1950 - 1952 alleen al 225.
Zowel wat betreft de onderzoekingen als het eigenlijke wetgevend
werk wordt de procedure van beide kamers gekenmerkt door
voorbereiding in commissies. 'Het Congres in zijn commissiekamers is
het Congres aan de arbeid', zei Woodrow Wilson in 1885 toen hij nog
hoogleraar staatsrecht was. Zeker in de periode 1917 - 1949 berustte
veel macht in het Congres bij de commissie- voorzitters. Zij hadden
een veelzeggende bijnaam: 'de baronnen'. De weg naar de top liep via
anciënniteit: hoe langer men zat des te meer macht, des te
makkelijker was het herkozen worden, enzovoort. In het Huis van
Afgevaardigden was er trouwens een soort 'super-baron', de
voorzitter (speaker) die tegelijk leider van de meerderheid is.
Machtig was ook het 'rules committee', dat de agenda vaststelt en
daarmee in sterke mate de gang van zaken bepaalt aangezien er altijd
meer wetsontwerpen zijn dan spreektijd. In de senaat is de
discipline altijd veel geringer geweest getuige het verschijnsel van
de filibuster: een senator (of een clubje senatoren) houdt
een marathontoespraak om de stemming over een onwelgevallig
besluit tegen te houden. Dat kan dagen duren. In 1917 werd op die
manier een voorstel van president Wilson om Amerikaanse
koopvaardijschepen te bewapenen tegen Duitse onderzeeërs
getorpedeerd. De president haalde de Senaat over een regel te
aanvaarden die sluiting (cloture) van het debat mogelijk
maakt. Tot 1949 is die regel negentien maal ingeroepen en slechts
vier maal met resultaat.
Lobby's
Er is op het
Capitool overigens nog een 'derde kamer': de lobby's. De naam is
ontleend aan het invloed uitoefenen in de wandelgangen. Achter de
Senaat en het Huis van Afgevaardigden zijn de meest uiteenlopende
pressiegroepen in de weer om bepaalde belangen te pousseren. Er
heten in Washington zoveel lobbyisten te zijn dat men geen steen kan
gooien zonder er een te raken. 'Maar wie zou de eerste steen
gooien?', schreef professor J. Presser ironisch in zijn mooie boek Amerika,
de lobby's zijn 'een van de grootste plaatselijke industrieën'. Zij
vertegenwoordigen economische belangen (van oudsher de grootste
groep) en vakbonden, maar ook patriottische organisaties als het
Amerikaans Legioen (een veteranenorganisatie); er zijn lobby's van
vrouwenbelangen, vrije beroepen, vuurwapen liefhebbers, enzovoort.
Lobbyen kan heel nuttig zijn om vorm te geven aan wat er allemaal
leeft in het grote, ongeorganiseerde publiek van dit continent, maar
het opent natuurlijk ook de deur voor allerlei beïnvloeding van een
minder hooggestemd democratisch gehalte. Zeker nu vooral de leden
van het Huis van Afgevaardigden, met hun korte zittingstermijn, in
een vrijwel constante verkiezings- campagne leven: een extra
bijdrage aan de verkiezingskas is dan altijd welkom. In 1939 werd
het aantal lobbyisten op zesduizend geschat (meer dan tien per
congreslid) en in 1944 reeds op het dubbele. 'Een plaag die door de
wandelgangen van het Congres en de bars van Washington zwermt',
noemde president Franklin D. Roosevelt hen in een boodschap waarin
hij om maatregelen vroeg. In 1946 kwam er een wet die bepaalde dat
de lobbyisten zich moeten laten registreren en jaarlijks hun
uitgaven en inkomsten moeten rapporteren. Veel heeft het niet
geholpen. Wanneer de American Medical Association in 1950 alleen al
anderhalf miljoen dollar spendeert om een wet op verplichte
ziekteverzekering tegen te houden dan is het duidelijk dat van het
opgegeven totaalbedrag van een paar miljoen dollar niets klopt.
De President
Zoals de
Capitoolheuvel symbool is voor de wetgevende macht is het Witte Huis
dat voor de uitvoerende. Daar zetelt de president. Hem 'is de
uitvoerende macht opgedragen', zegt de constitutie kortweg. Deze
formulering laat zoveel open dat de functie van president 'het
donkere continent' van het Amerikaans staatsrecht is genoemd.
Duidelijk is in elk geval dat de bewoner van het Witte Huis eenzaam
aan de top staat. Behoudens het uitzonderlijk geval van impeachment
is hij onafzetbaar. Er is een kabinet van ministers, die als hoofden
van de federale departementen stuk voor stuk grote bestuursmacht
hebben, maar als college is het kabinet niet meer dan 'een blinde
darm', zoals een voormalige perschef van het Witte Huis het eens
openhartig uitdrukte. Dat komt door de scheiding van de machten: de
ministers hebben geen eigen parlementaire basis, zij zijn geheel
afhankelijk van de president. Deze heeft weliswaar toestemming van
de Senaat nodig voor de benoeming van ministers, maar hij kan hen
naar welgevallen ontslaan. Tekenend is ook dat presidenten zich vaak
buiten de ministers om bedienen van persoonlijke assistenten.
President Wilson had zijn kolonel Edward M. House, Franklin D.
Roosevelt zijn Harry Hopkins, Nixon zijn Henry Kissinger. De staf
van het Witte Huis is vooral na de oorlog enorm toegenomen. De
afhankelijkheid geldt zelfs de vice-president, ook al wordt deze in
functie gekozen en heeft hij eigen grondwettelijke taken, zoals het
voorzitterschap van de Senaat. Het moderne presidentschap laat
echter geen ruimte voor een volwaardige tweede man. De voornaamste
betekenis van de vice-president is dan ook dat hij slechts een
spreekwoordelijke hartslag verwijderd is van het hoogste ambt.
Coolidge en Truman zijn voorbeelden van vice- presidenten die van de
ene dag op de andere uit een betrekkelijke obscuriteit in de
schijnwerpers werden geplaatst door de dood van respectievelijk
Harding (1923) en Roosevelt (1945). Er zijn ook gevaarlijke
schemertoestanden geweest, zoals de door ziekte geplaagde nadagen
van het presidentschap van Wilson. In 1967 werd het 25ste amendement
op de grondwet aanvaard, dat beoogt in dergelijke toestanden te
voorzien. In 1951 beperkte het 22ste amendement het aantal
ambtstermijnen van de president tot twee: een reactie op Franklin D.
Roosevelt (1933-1945) die vier keer gekozen werd, zij het dat hij
vlak na zijn laatste verkiezing overleed. De president heeft zes
hoofdfuncties, 'zes hoeden', zoals Truman dat ooit eens noemde. Hij
is ten eerste staatshoofd: hieronder vallen onder meer het
afkondigen van wetten (denk aan het veto) en het gratierecht. Als
staatshoofd wordt de president ook beschouwd als 'woordvoerder van
de natie' en heeft hij als weinig anderen toegang tot de massamedia.
Zo maakte Franklin D. Roosevelt onnavolgbaar gebruik van zijn
'praatjes bij de haard' voor de radio. De president is hoofd van de
uitvoerende macht in eigenlijke zin. Hij is regeringsleider. Hij
heeft de taak erop toe te zien dat de wetten worden uitgevoerd. Hij
is hoofd van het federale bestuur. In 1900 waren er 2,7
federale ambtenaren op iedere duizend inwoners, in 1940 waren dat er
zeven en tien jaar later was dat aantal reeds verdubbeld. De
president heeft het opperbevel over de strijdkrachten. Het recht
oorlog te verklaren is voorbehouden aan het Congres, maar het recht
oorlog te 'maken' (door feitelijk troepen in te zetten) ligt bij de
president. Toen Truman in 1950 zonder toestemming van het Congres
Amerikaanse legereenheden naar Korea stuurde, kon hij zich beroepen
op een hele serie precedenten die teruggaat tot de 19de eeuw. Ook in
het binnenland kan de president troepen inzetten, zoals Hoover in
1932 deed tegen een mars van behoeftige oorlogsveteranen op
Washington. De president heeft de leiding over de buitenlandse
betrekkingen. Op dit terrein heeft het Congres in beginsel
belangrijke bevoegdheden zoals het goedkeuringsrecht van verdragen
door de Senaat. Dat dit niet een loze bevoegdheid is, bleek bij de
verwerping van het verdrag van Versailles in 1919-1920 door de
Senaat tegen alle inspanningen van president Wilson in. Maar dit is
de uitzondering die de regel bevestigt. De president kan sommige
problemen omzeilen door niet een verdrag in formele zin te sluiten
doch een 'executieve overeenkomst' die buiten de inspraak valt.
Bovendien heeft het Hooggerechtshof uitgemaakt dat de president op
het gebied van de buitenlandse politiek 'inherente bevoegdheden'
heeft. Zo is de president van oudsher toonaangevend op dit gebied:
van de Monroe-leer ('Amerika voor de Amerikanen') tot de
Truman-doctrine over steun aan het Europees verzet tegen het communisme
is het buitenlands beleid geformuleerd door het Witte
Huis.
De president neemt
ook het initiatief tot wetgeving. Hoewel de wetgevende macht,
inclusief het recht van initiatief, zeer duidelijk bij het Congres
berust, vervult de president ook op dit terrein toch een belangrijke
rol. De grondwet draagt hem op zich regelmatig tot het Congres te
richten met de State of the Union (de jaarlijkse 'troonrede')
en voorziet daarnaast erin dat hij specifieke voorstellen doet. Dat
is regel geworden; belangrijke wetsontwerpen zijn doorgaans
afkomstig van de regering. De president is hoofd van een politieke
partij. Hij is automatisch de leider van de partij die hem kandidaat
heeft gesteld. Die partij hoeft vanwege de machten- scheiding
overigens niet de meerderheid in het Congres te hebben, met alle
lastige gevolgen van dien. De positie van de president, en met name
zijn verhouding tot het Congres, is voortdurend aan verandering
onderhevig geweest. Mede onder invloed van de koude oorlog van de
jaren vijftig groeide de macht van de president dusdanig dat werd
gesproken van een 'keizerlijk presidentschap'. Maar in de tweede
helft van de jaren zeventig volgde - mede onder invloed van het
Watergate-schandaal - een reactie.
Vierde Macht
Een typisch element
van het Amerikaans staatsbestel vormen de onafhankelijke en
regelgevende instellingen. Zij zijn moeilijk te plaatsen in het
stelsel van de machtenscheiding, maar zijn qua omvang en invloed
niet meer weg te denken uit Washington. Het schoolvoorbeeld is de
Interstate Commerce Commission (1887) die de handel tussen de staten
reguleert en tegelijk toezicht daarop uitoefent. De zeven leden van
de commissie worden benoemd door de president met toestemming van de
Senaat, maar oefenen hun taak - die een typische mengvorm is van
wetgevende, uitvoerende en rechtelijke functies - in
onafhankelijkheid uit. Er zijn verschillende van dergelijke
instanties gevolgd, bijvoorbeeld op het gebied van de communicatie
(1914) en de burgerluchtvaart (1938). Een van de hoekstenen van
Roosevelts New Deal, de nieuwe aanpak tijdens de crisisjaren, was de
vorming van een Nationale raad voor de arbeidsverhoudingen (1935),
een jaar na de instelling van de Securities and Exchange Commission
(SEC) die toezicht houdt op Wall Street en omstreken. Andere
voorbeelden van pogingen instellingen te onttrekken aan al te
directe politieke beïnvloeding waren de Reconstruction Finance
Corporation (1932) en de Tennessee Valley Authority (1933). In het
midden van de jaren zeventig was het oerwoud van dergelijke
instanties en de bijbehorende regelgeving echter zozeer gegroeid dat
er een roep opging tot 'de-regulering' - een term die thans ook tot
Nederland is doorgedrongen.
Hooggerechtshof:
'het hart van de storm'
Het federale
Hooggerechtshof (Supreme Court) kreeg pas in 1935 een eigen zetel in
de vorm van een Griekse tempel met hoge zuilen en hoge trappen. Tot
die tijd was de behuizing van het hoogste gerechtshof van het land
heel bescheiden ondergebracht in het Capitool. Die bescheidenheid
was maar schijn. 'Wij zijn erg rustig hier', zo luidt een beroemd
gezegde van raadsheer Oliver Wendell Holmes, 'maar het is de rust in
het hart van de storm'. Het Hooggerechtshof telt negen leden, die
voor het leven worden benoemd door de president (met goedkeuring van
de Senaat) en die in grote onafhankelijkheid hun uitspraken doen. Ze
kunnen overigens zelf kiezen welke zaken zij nemen (certiorari)
en dat is tegenwoordig slechts een fractie van wat hun wordt
voorgelegd. Er is vrijwel geen politieke controverse van betekenis
die niet vroeg of laat wordt onderworpen aan het oordeel van dit
hof. De grote betekenis van het Amerikaanse Hooggerechtshof berust
op het toetsingsrecht: de bevoegdheid wetten en bestuurshandelingen
aan de grondwet te toetsen en die, wanneer zij daarmee in strijd
zijn, buiten toepassing te laten. Dit maakt het hof tot hoogste
scheidsrechter ten opzichte van de andere twee machten in de staat.
Toch is het toetsingsrecht niet met zoveel woorden in de constitutie
neergelegd. Het is er door het hof zelf uit afgeleid. Het precedent
werd gevestigd in 1803 tijdens de ambtsperiode van de grote
opperrechter (voorzitter van het hof) John Marshall. Het betrof een
betrekkelijk ondergeschikte kwestie, de benoeming van een zekere
Marbury tot vrederechter. Al gauw waren het echter allesbehalve
ondergeschikte problemen die tot ingrijpen leidden. Zo verklaarde
het hof in de zaak-Dred Scott (1857) het verbod van slavernij in
bepaalde gebieden nietig. Deze uitspraak heeft ertoe bijgedragen dat
het toch al explosieve vraagstuk van de slavernij werd verbreed tot
een kwestie van nationaal belang, die ten slotte tot de Burgeroorlog
zou leiden. In een ander geval, de beroemde zaak-Brown (1954),
verklaarde het Hooggerechtshof dat alle openbare scholen zonder
discriminatie hun deuren moesten openen voor negerkinderen. Deze
uitspraak heeft - ondanks fel verzet - gezorgd voor een doorbraak in
de bestrijding van rassenscheiding, die tot op de dag van vandaag
gevolgen heeft.
Deze tegengestelde
uitkomsten illustreren dat het toetsingsrecht op verschillende
manieren gehanteerd kan worden. Zo geeft de geschiedenis van het
Hooggerechtshof een voortdurend touwtrekken te zien tussen
terughoudendheid van de rechters bij de toetsing en een meer
'activistische' aanpak, en ook tussen behoudende en meer
vooruitstrevende opvattingen. Rond de eeuwwisseling heeft het
Hooggerechtshof het toetsingsrecht gebruikt om allerlei sociale
wetgeving tegen te houden. Een hoogtepunt vormde de zaak- Lochner
uit 1905: het hof verklaarde een wet die maximumwerktijden voor
bakkerijpersoneel voorschreef, in strijd met de grondwet. Later
werden wetten tegen kinderarbeid ongeldig verklaard. Ook het New
Deal-programma ter bestrijding van de grote crisis van Franklin D.
Roosevelt dreigde - zelfs na diens klinkende herverkiezing in 1936 -
stuk te lopen op de onverzettelijkheid van het Hooggerechtshof. Dat
is natuurlijk de tegenhanger van een toetsingsrecht: het kan vurig
gewenste hervormingen blokkeren tegen de wil van duidelijke
politieke meerderheden.
Roosevelts antwoord
op de tegenwerking van het hof riep op zijn beurt vragen op. Hij
drong aan op wetgeving die de benoeming van extra raadsheren tot een
maximum van vijftien mogelijk moest maken. Op zich zelf was dit niet
zo vreemd: het Congres heeft sinds 1789 het aantal raadsheren zes
maal veranderd; het varieerde van zes tot tien (in 1863). Roosevelt
wilde nu een extra raadsheer benoemen voor ieder lid van het hof dat
ouder dan zeventig was. Zes van de negen rechters waren ouder dan
zeventig, zodat het plan de president de kans gaf een hem gunstig
gezinde meerderheid in het hof te creëren. Zelfs overtuigde
aanhangers van de New Deal waren echter bezorgd dat op die manier de
institutionele onafhankelijkheid van het hof zou worden beschadigd.
Het kwam niet tot een frontale botsing omdat binnen enkele maanden
het hof zijn koers wijzigde en enkele belangrijke wetten van
Roosevelt doorliet. Een belangrijk element van de werkwijze van het
Amerikaans Hooggerechtshof is dat individuele rechters hun
afwijkende mening aan het (meerderheids)vonnis mogen hechten. Vaak
werd dat wat eens zo een dissenting opinion was, uiteindelijk
de heersende leer. De zinsnede van Oliver Wendell Holmes in de
zaak-Lochner, die in het begin van dit artikel staat, is daarvan een
beroemd voorbeeld.
Het federaal
systeem
Het rechtsleven van
de Verenigde Staten speelt zich niet alleen af op het niveau van de
unie. De meeste rechtskwesties worden beslist in de (deel)staten.
Deze hebben elk ook een eigen regering die gemodelleerd is naar het
federaal bestuur, inclusief scheiding van de machten. Zo is de
positie van gouverneur van een staat te vergelijken met dien van de
president van de Verenigde Staten. Wat is precies de verhouding
tussen de staten en de unie? Die vraag heeft mede een burgeroorlog
veroorzaakt en dat herinnert nog steeds eraan dat het een gevoelige
kwestie is. Zijn de Verenigde Staten een statenbond - een verband
met soevereine staten die alleen naar buiten, en dan nog alleen voor
zover nodig, als eenheid optreden - of een bondsstaat, die behalve
in externe ook in binnenlandse aangelegenheden gemeenschappelijke
instellingen hebben? Het laatste is in de Verenigde Staten het
geval. De bondsstaat laat overigens meer ruimte voor de onderdelen
dan een gedecentraliseerde eenheidsstaat, waarin echt van boven naar
beneden wordt geredeneerd. Zo hebben de staten een grote marge bij
het inrichten van hun strafrecht. Zij kennen bij voorbeeld niet
allemaal de doodstraf. Ook tussen de federale regering - president
en Congres - en de tegenhangers in de staten bestaat er een zekere
speelruimte. De grondwet zegt zelf dat zij de hoogste wet in het
land is. Maar deze supremacy van het federale recht - kracht
bijgezet door de toegenomen financiële afhankelijkheid van de
staten ten opzichte van de unie - heeft nooit geleid tot een
precieze afbakening. Het openbaar bestuur van de Verenigde Staten
blijft een rainbow cake. Die heeft zelfs meer dan twee lagen,
want ook het lokaal bestuur heeft belangrijke functies, zoals op het
gebied van de politie en sociale diensten. Ook hier blijft het dus
een voortdurend touwtrekken. Dat maakt Amerika tot het tweede
vaderland van alle vrijheidslievende mensen.