Motorhome reis door de V.S.en Canada


Een reis van 7 weken door 12 staten van de Verenigde Staten en Canada mei, juni en juli 2009

De voorbereiding van de reis
Eind mei 2009 gaan we een reis maken door het Westen van de Verenigde Staten en Canada. In 2003 hebben wij al eerder een tocht door 6 staten in het Zuidwesten van de VS. gemaakt met als start- en eindpunt Los Angeles.

Inmiddels is de toestemming van de U.S. Dep`t of Homeland Security ook binnen, zodat we geen gedonder krijgen bij het binnengaan van de V.S. Een pikant detail: de `toestemming` is geen garantie, dat je ook echt naar binnen mag..... dat wordt beslist door de dienstdoende veiligheidsfunctionaris, in San Francisco dus!

We maken de reis, net als onze vorige reis overigens, met een A32 Winnebago (32 voet lang) met een z.g. “Slide-Out”, zodat we - als we weer eens ergens staan - met een simpele druk op de knop onze woonruimte met bijna een meter verbreden. De ruimte met een dergelijk busmodel is heerlijk, maar vooral het uitzicht tijdens het rij-den. Iedere camper, ja, zelfs deze grote jongen, is in principe geschikt voor 2 volwassenen.
De andere plaatsen zijn leuk om aan te eten of `s avonds een boek te lezen, maar vooral niet om te rijden en - indien je langer bent dan 1.60 meter - ook niet om te slapen. Het is dan ook opvallend dat Amerikanen meestal met z`n tweeën met een dergelijk grote RV rijden. Men gaat vrolijk op pad met een 40 of zelfs 45 voeter + aangehandgen personenauto of 4WD. De hele trein kan zo maar 20 meter zijn!

Wij hebben wel inmiddels de ervaring, dat alles boven de 32 voet problemen kan opleveren op natuurcampings in de nationale parken; je mag er eenvoudigweg niet op. Ook manoeuvreren is niet eenvoudig vooral door de grote oversteek achter de achteras. De schade hoef je niet eens op te lopen bij het draaien, voor- of achteruit, maar zelfs op de gewone weg rijdend loop je mogelijk schade op als je bijv. een steile inrit in moet rijden of bijv. een ferry oprijdt. Bij de controle gaat men ook zeker even door de knieën voor dit soort schaden.

We beginnen in San Francisco en blijven ook nog op maandag in deze meest Europese Amerikaanse stad. Op dinsdag rijden we naar een camping vlakbij Yosemite National Park, waar we de volgende morgen heengaan.

Na King’s Canyon en Sequoia, waar we ons zullen vergapen aan de gigantische bomen, rijden we via Barstow (met de `ghost town` Calico en namaakcomboys...) naar Las Vegas, waar we midden in Down Town 2 nachten blijven staan en een show zullen bijwonen.

De volgende week zullen we overnachten in Bryce Canyon, Capital Reef en Arches nationale parken. Ook Zion wordt niet vergeten. Al deze parken `kennen` we al van onze vorige reis, maar ze liggen op de route en het natuurschoon is zo ongekend, dat het opnieuw beleven geen straf zal zijn. Wanneer `ken` je een gebied?

De derde week is de week van de Grand Teton en Yellowstone National Park, waar we 4 dagen zullen blijven. Dit is het eerste nationale park van de VS en we zullen ogen te kort komen, da’s zeker. Dan verder via Great Falls, de grote watervallen in de Missouri River en Glacier naar Canada, waar we de beroemde Icefield Parkway zullen rijden. We verblijven in de nationale parken Waterton, Banff en Jasper. Dwars door de Rocky Mountains via het park met 250 wa-tervallen, genaamd Wells Gray naar Vancouver en oversteken naar Vancouver Island. Hier blijven we weer een aantal dagen om lekker van de Canadese hoofdstad (en stad van de tuinen) Victoria te genieten.

We steken dan over naar Olympic National Park in de VS, waar we kennismaken met een echt regenwoud. De woeste natuur van Mount Rainier, Mount St. Helen, Crater Lake en Lassen Volcanic zal een grote tegenstelling vormen met de hectiek van San Francisco, waar we aan het eind van bijna 7 weken terugkomen.

In San Francisco verblijven we nog een aantal nachten in een lekker downtown hotel, het Orchard Garden Hotel in Bush Street naast de ingang van China Town en zullen indien mogelijk de voormalige gevangenis Alcatraz bezoeken. Als ze ons hopelijk vrijlaten zullen we in de zomer weer voet op Nederlandse bodem zetten.

We zullen totaal bijna 10.000 wegkilometers afleggen, waarbij ongeveer 3.500 liter benzine zal worden verstookt! Vele malen zullen we 2 nachten (2x zelfs 3 nachten) ergens blijven. De weekend-overnachtingen en de overnachtingen middenin de nationale parken zijn inmiddels allemaal gereserveerd en betaald. We overnachten op 20 campings met full hook-up (elektrische aansluiting, wateraanvoer en afvoer van afvalwater) en 9 natuurcampings zonder enige voorzieningen. Dit noemt men ook wel dry camping. Ook een aantal campings in het begin van het hoogseizoen zijn vastgelegd, om geen risico te lopen. Hotels zijn inmiddels alle gereserveerd, evenals de beide overtochten met de ferry`s naar Vancouver Island en daarna naar Olympic. Eigenlijk zijn we zo`n beetje klaar met de organisatie.

R E A D Y F O R T A K E - O F F ! ! !
De laatste dagen thuis
Alles is geregeld en we zijn er helemaal klaar voor…. maar dan hebben bepaalde virussen met onze lijven andere plannen en proberen ze dus de hele reis te frustre-ren.

Wat is er allemaal gebeurd. Vorige week zo rond 11 mei krijg ik keelpijn en niet een beetje, maar whóóóóó, pijn met slikken, enz. enz., maar…… geen verhoging geluk-kig. Enfin, het is nog bijna 2 weken en we maken ons eigenlijk geen zorgen. Toch maar even naar onze huisarts voor alle zekerheid. Deze constateert een virale keel-ontsteking, die dus vanzelf overgaat met een dag of wat en waar geen medicijnen tegen zijn; geduld dus. En inderdaad, na 4 dagen is alles weer voorbij.

Vrijdagavond nog een gezellig dineetje aangericht met Henk en Foppo. Lekker gegeten en oergezellig. Speciaal voor Henk had ik gezorgd voor rib-eye. Eerst aanbakken en daarna op de grillplaat. Oei, wat een rook! Niet alleen de hele keuken stond vol rook, maar alle rookmelders in het huis (ja, ook op de zolder) gingen af, terwijl de afzuiging op 100% stond (700 kuub per uur notabene). Enfin, de rook trok op en de rib-eye smaakte echt geweldig. Lekker 3 chocolades ijs (Hertog) toe met verse aardbeien en espresso na.

Dan komt de ‘day-after’. Els wordt wakker met keelpijn; maar ze heeft ook verhoging erbij en dat had ik niet. Verder spierpijn, hoofdpijn, kaakpijn, enz. Nu is het nog maar een week voor vertrek en dat komt dus niet echt goed uit. Uiteraard gebeurt zoiets in het weekend! Zondag loopt de koorts verder op en de weekend arts adviseert paracetamol. Deze werkt zowaar en de koorts zakt een halve graad.

Maandagochtend heeft Els echter bijna 39 graden koorts en dat is toch wat veel voor ’s morgens lijkt ons. Dus zit Els witjes en gammel om half elf bij de huisarts, die haar zorgvuldig onder¬zoekt en beluistert. Het is dus echt een virale aandoening, waar dus niets aan te doen is. Hij is echter optimistisch en verwacht dat het vlot overgaat. Wat schetst onze verbazing: gisteren is er slechts nog een beetje verhoging en woensdag zal Els weer opstaan.

Inmiddels ben ik wel doorgegaan met koffers pakken. Nog wat kleren van Els en dan zijn we er helemaal klaar voor.

We mogen 4 koffers meenemen van max. 23 kg elk. Dat lijkt veel (en IS ook veel), maar toch wordt het nog puzzelen om a) iedere koffer beneden de 23 kg te houden en b) toch alles mee te nemen voor 7 weken in omgevingen van plus 40 graden (Las Vegas) tot minus 5 graden `s nachts (Jasper), terwijl we ook moeten rekenen op flinke regendagen (vooral in Washington en Oregon). Dus petten, T-shirts, truien, regenkleding, maar ook winterjassen compleet met dassen en handschoenen.

Die klimaatsverschillen zijn vanaf maandag al zichtbaar. In San Francisco is het dan wat mistig en maximaal 18 graden Celcius. In Mariposa, enkele tientallen kilometers oostelijk wordt het maandag e.v. 29 graden! We denken hierbij aan het beroemde citaat van Ernest Hemingway in 1937:"The coldest winter I ever spent was a summer in San Francisco." Vandaar, dat we dinsdag richting warmte gaan.

Zondagmorgen om half zeven staat de Schipholtaxi voor de deur die ons linea recta naar deur E van vertrekhal 2 zal brengen. Hier staat de assistent klaar van de lucht-haven, die ons naar de incheckbalie #11 zal begeleiden.

De heenreis, langer dan verwacht….
Zondag 24 mei 2009. De wekker staat op half vijf, maar om een uur of vier zijn we allebei klaarwakken en tegen half vijf staan we maar op. Er spookt toch van alles door je hoofd, zo van heb je dit gedaan en dat al geregeld. Wij hadden dus ’s avonds nog gedacht, dat we het met de taxi perfect hadden geregeld, nee dus…. Het bleek ’s avonds, dat er een taxi was besteld voor 24 mei om half zeven ’s morgens, maar dan in 2010! Gelukkig werd alles door Connexxion prima opgelost en men garan-deerde ons een taxibusje om half zeven. Om kwart over zes maar eens even buiten kijken en ja hoor, daar reed een taxibus de Zeebies in, aan de andere kant. Na enig gesticuleren begreep de chauffeur, dat hij beter om kon rijden en even later maakten we kennis met Ton. De oud-vertegenwoordiger was maar op de taxi gegaan, toen het bedrijf waarvoor hij grenen meubelen verkocht op de fles ging en hij nergens meer aan de bak kwam. Een aardige man, waar we de vijf kwartier naar Schiphol ontspannen mee door kwamen.

Op Schiphol kwam de caddy assistent snel opdraven en we werden vlot dwars door de rijen wachtenden geloodst. Dat automatisch inchecken is best even lastig, vooral door de onverwachte vragen, zoals de postcode en het adres van je eerste Ameri-kaanse hotel. Gelukkig hadden we dit allemaal paraat en het koffers afgeven kon beginnen. Onze 4 koffers bleven keurig binnen de marge en wogen elk ongeveer 22,5 kg. De security check wordt op Schiphol niet meer algemeen uitgevoerd maar per gate. De onvermijdelijke mooie whisk(e)y werd gekocht (ook ‘whiskey’, want er is ook Jack Daniel’s). Wat rondslenteren en op naar gate E24. Na de security check loopt de aangekondigde vertraging van 20 minuten verder uit. De hele crew komt namelijk weer terug en we krijgen te horen, dat het vliegtuig nog niet schoon is. Uit-eindelijk vertrekken we met 30 minuten vertraging. Volgens de verwachting komen we rond 13:00 uur plaatselijke tijd aan.

In het vliegtuig maken we kennen met een alleraardigst echtpaar, die op de stoelen voor ons zitten. Ze komen uit Eindhoven. De man heeft tot zijn 55ste bij Philips ge-werkt en is nu jaar thuis na een uiterste aantrekkelijk voorstel van ene mijnheer Tim-mer. Hun zoon woont in California en werkt als chipontwerper in Silicon Valley. Hun dochter woont dichterbij en is chemisch ingenieur; ze werkt bij DSM. Zij is dol op reizen en trekken; hij niet zo.

Als we over Groenland vliegen is het uitzicht fenomenaal. Onder een strak blauwe hemel zien we bergen, sneeuw, gletschers en ijsbergen. Het eten aan boord is in-middels geserveerd en is in Afrikaanse stijl. We eten een couscous salade, beef Bobotie met gele basmatirijst met rode peper en mango chutney. Het toetje is ook niet te versmaden, namelijk een mousse van passievruchten. Ik drink er een lekker glaasje Zuid Afrikaanse Merlot bij en het smaakt ons goed. Na het diner wordt koffie en thee aangeboden met cognac of liqueur. Wij laten de sterke drankjes toch maar even voorbijgaan. We verbazen ons over het metalen bestek. De stewardess vertelt ons, dat dit afgelopen is en men nog uitsluitend plastic bestek zal geven.

We zitten overigens prima en beschikken over 3 stoelen met z’n tweeën. Als ik dit schrijf hebben we nog 3,5 uur voor de boeg, dus het schiet lekker op. We lezen wat, we slapen wat, we lopen wat om de stramme spieren soepel te houden. Wat wel opvalt is het niet geven van ‘luchtgymastiek’. Toen we in 2003 naar L.A. vlogen werd dit een aantal keren gedaan.

We hebben de douaneformulieren ingevuld en zullen straks hopelijk vlot doorkunnen. Een uurtje voordat we landen, vertelt de purser, dat de gegevens, die we allemaal al hadden doorgegeven via internet, opnieuw moeten invullen om toelating tot de VS te krijgen. Het computersysteem blijkt nog niet helemaal goed te werken, dus zit iedereen ijverig te pennen (met behoorlijk vermoeide gezichten).

Op het scherm zien we, dat we om 13:02 uur zullen aankomen, aardig op schema dus. Maar dan meldt de gezagvoerder, dat hij tot zijn spijt te horen krijgt, dat we van-wege grote drukte niet terecht kunnen en we 20 minuten een extra rondje maken. Dit wordt uiteindelijk een vol half uur. Als we landen gaan we vervolgens weer tot spijt van de gezagvoerder een minuut of tien stilstaan, omdat de gate nog is bezet door een ander vliegtuig. Dan kunnen we eindelijk het vliegtuig uit. De caddy-hulpen staan al klaar aan het begin van de slurf. Na de vlot lopende douaneforma-liteiten te hebben afgewerkt, kunnen we onze koffers oppikken. De temperatuur buiten is afschuwelijk. Het is zwaarbewolkt en slechts 10 graden met een dunne wind. Het wachten is op de hotelshuttle en geloof het of niet, we wachten 50 minuten tot hij eindelijk voorrijdt. Ik heb dan tot 2x toe gebeld en kreeg iedere keer de verzekering, dat de bus onderweg was. In onze hotelkamer van de Red Roof Inn neem ik direct een warm bad en we gaan wat suffen op bed. Om een uur of zeven gaan we wat eten en dan vroeg naar bed. De weersvooruitzichten zijn slecht: koud en guur. Hemingway heeft het goed verwoord destijds; het lijkt wel winter.

We eten erg Amerikaans in een typisch Amerikaans restaurant, net zo’n type inrich-ting als in de cultfilm ‘Pulp Fiction’. Ik bestel Salt ’N Pepper Chicken Breast met friet-jes en (rauwe) groente. Els eet een gevulde omelet met spinazie en champignons. Het is allemaal best lekker, in ieder geval heel wat beter dan het laatste hapje, dat KLM ons durfde te serveren; dat smaakte echt nergens naar.

Inmiddels weer terug op de prima kamer worden we niet vrolijk van het Weather Channel, waar het grootste deel van de VS blijkt te zuchten onder ‘very heavy rain’ en ‘high winds’, zelfs met sneeuw in de hogere delen. We zien ‘unusual’ beelden van overstromingen, maar ook van blushelikopters, die druk grote bosbranden bij LA aan het blussen zijn. Kortom, we mogen hopen, dat het gauw beter wordt.

Het is nu een uur of negen ’s avonds en we gaan eens lekker slapen. Morgen een nieuwe dag met nieuwe kansen.
San Francisco, een eerste kennismaking
Maandag 25 mei 2009. We zijn gisterenavond snel in slaap gevallen op een heerlijk ruim bed. Om een uur of drie word ik wakker; Els slaapt als een roos. Ik forceer me-zelf om in bed te blijven liggen en me te ontspannen. Wel zet ik geheel op de tast de airco iets koeler, want het is behoorlijk warm in de kamer. Het lukt om weer in slaap te komen en om een uur of half zeven wordt het moeilijker om in bed te blijven. Dan wordt Els ook wakker en om een uur of acht gaan we op z’n Amerikaans ontbijten. De grote verrassing is het weer. Gisteren een grote ellende en nu het is onbewolkt!

Els ontbijt met geroosterd brood, 2 gekookte eieren en uitgebakken bacon. Het ge-roosterd brood was helemaal zacht en leek meer op wentelteefjes. Een klont boter erop en honing erover gieten en het geheel smaakt best. Ik nam hetzelfde, maar dan met gebakken eieren. Als je iets bestelt krijg je geheid voor ieder onderdeel een vraag van de waitress, hoe je het wilt. Mijn eieren bestelde ik ‘easy’, dat wil zeggen: met een hele dooier. Door gewoon uit te slapen en zo snel mogelijk het locale ritme op te pakken, heb je het minste last van jet lag. En we maken ons dan ook klaar voor een bezoek aan downtown San Francisco.

Met de BART (het locale vervoerssysteem van de Bay Area) gaan we naar Union Square. We komen aan in een stralend en zomers San Francisco, maar wel een dun windje, dat over de koude oceaan het land inwaait. We maken een rondtocht met de bekende hop-on hop-off dubbeldekker en krijgen zo een spoedcursus San Francisco.

We lunchen midden op Union Square en zijn getuige van een arrestatie van een vreemde figuur. Met een overmacht van vijf agenten (van die types met spiegelende zonnebrillen) wordt de man in de boeien geslagen en afgevoerd. We zitten heerlijk in de voorjaarszon met in de verte een virtuoze trompetmusicus, compleet met een drummer, bas en keyboard. Iets wat ons ook opviel was het rookverbod voor een compleet plein. Dit betekent dat op Union Square niet mag worden gerookt. Om een uur of vier weer terug met BART en hotelshuttle. We zijn niet eens zo erg moe. Straks weer op z’n Amerikaans dineren en op tijd naar bed. Morgen om acht uur staat de shuttle van Road Bear klaar en gaan de rondreis echt beginnen.

Griezelig, zo precies op tijd…
Dinsdag 26 mei 2009. Road Bear zal ons tussen acht en half negen ophalen. We moeten natuurlijk dan wel klaarzitten in de lounge van het hotel. Terwijl we de spullen inpakken zo om een uur zeven, zien we op het SF Bay News dat er in de vroege morgen een schietpartij heeft plaatsgevonden plus een originele Amerikaanse ‘pursuit’ op de freeway en natuurlijk precies de snelweg waar Road Bear over zal moeten richting Burlingame, waar ons hotel staat. Vanuit de helikopter van het nieuws laat men files zien van tientallen mijlen.

Enfin, je wil het lot niet tarten en na wederom een stevig Amerikaans ontbijt zitten we dus precies om 08:00 uur in de lobby met al onze bagage. Ik wil net nog even wat gaan internetten en ja hoor, daar rijdt klokslag acht uur de wagen van Road Bear voor de deur. Alles wordt vlot ingeladen en na nog even 2 hotels te doen, waar nog eens zes Nederlanders worden opgehaald rijden we vlot naar Road Bear. De afhandeling door Aldie is professioneel en efficiënt en beduidend beter dan in 2003 in LA. Al met al rijden we tegen half elf weg om boodschappen te gaan doen.

We hebben de Wal*Mart in gedachten, maar daar zijn geen levensmiddelen te koop, behalve als er “Super” voor de naam Wal*Mart is toegevoegd. We komen terecht bij de FoodMaxx, een echte discounter. De zaak is enorm groot en er staat veel door elkaar. Wij (en ook de Nederlanders, die we uiteraard hier ook tegenkomen) worden stapelgek van de enorme keus, maar vooral ook van niet kunnen vinden van de spullen, die we nodig hebben. Ze doen hier gelukkig niet aan klantenkaarten en op de bon staat het voordeel dat je hebt geboekt door bij FoodMaxx inkopen te doen, namelijk 23%. We hebben voor $ 123,-- netto ingekocht.

Op naar Groveland, waar we zullen overnachten op de Yosemite Lakes NACO camping. De TomTom doet haar werk ogenschijnlijk goed, maar als we het scherm aanraken (het heet ook een ‘touch screen’), is de bestemming Groveland ongemerkt veranderd in Barstow. TomTom doet haar werk echt goed, want we worden gewoon over de HWY # 99 richting Barstow geleid. We komen daar toch wel wat laat achter en besluiten dus TomTom de juiste bestemming opnieuw in te geven. Gelukkig weet ‘ze’ een weg binnendoor, zodat we niet teveel tijd zullen verliezen. De weg binnendoor gaat dwars door het prachtige Mariposa gebied. De weg is nauwelijks 3 meter breed (camper is 2,55 meter!) en geregeld passeren we wildroosters (“Texas Gates”) in de weg, die nog smaller zijn. Volgens de zwaar getatoeëerde local moet het echter kunnen en we rijden de smalle bochtige weg met een supersteile afdaling (in eerste versnelling afremmen op de motor en dan toch nog geregeld bijremmen) tot de HWY # 120 van San Francisco naar Yosemity.

In Groveland aangekomen is de camping nergens te bekennen. Een bijzonder aardige dame die we bij een resort tegenkomen besluit na kort overleg met haar man ons naar een camping in de buurt te escorteren.
Dit blijkt een natuurcamping te zijn in een prachtig natuurgebied, waar hier en daar iemand staat. We hebben er tot onze verbazing en vreugde toch water en elektra. Inchecken gaat op een ons bekende wijze: geld in een enveloppe in een stalen kastje en de slip op een paaltje op de plek van onze keuze. Op een korte wandeling heb ik een eerste ‘natuurervaring’. Ik kende natuurlijk Woody Woodpecker van Walt Disney, maar in het wild een stel spechten aan het werk zien is toch wel wat anders. Op twee meter afstand van een (dode) boom komen twee spechten aanvliegen, die verwoed aan het hakken gaan op de boom. Ik sta doodstil en ademloos toe te kijken en herken de specht onmiddellijk van de tekenfilms; wat een koddige vogels.

Terug in de camper gaan we lekker eten en drink ik een heerlijk blik ijskoude Bu-dweiser Lager. De koffers worden uitgepakt en verdeeld over de vele kasten in de camper. Het valt ons op, dat er weliswaar veel ruimte is, maar weinig raffinement, zoals we bijvoorbeeld gewend zijn van de Duitse Flair campers, waar over ieder vak-je en kastje is nagedacht. Maar goed, Amerikaans is dan ook vaak synoniem voor overdadig en groot. Denk maar aan de motor van de camper, de 10 cilinder Ford van 8 liter. Zoals de Amerikanen toch nog steeds denken: “There is no substitute for cubic inches”.

Morgen naar Yosemite, hetgeen nog maar een uurtje rijden is. Hier wordt echt ‘dry camping’ gedaan, omdat er geen stroom of water is. Ook geen douches, eigenlijk alleen maar puur natuur. We gaan tegen half elf slapen, hetgeen niet gek is, omdat dit toch aangeeft, dat we redelijk goed met de 9 uur tijdverschil omgaan.

Grote opwinding om een beer….
Woensdag 27 mei. Vanmorgen lekker vroeg vertrekken na een ontbijt met toast en jam. Eerst nog even naar een leuke specht kijken (en vooral ook luisteren), die weer vlak voor mijn neus op een tak zit te rammen. Op naar Yosemite, maar eerst even boodschappen doen bij een kleine supermarkt in Groveland. Daarna door naar Yo-semite, waar we de Golden Eagle pas kopen. De ranger (vrouw) bijt mij toe, dat uitsluitend cash kan worden betaald, hetgeen ik dan ook doe. Later komen we vele andere rangers tegen, die juist buitengewoon aardig en communicatief zijn.

Enfin, de hernieuwde kennismaking (sinds 2003) met Yosemite is wederom overweldigend; wat een kleurschakering, wat een woestheid van de natuur en wat een rust….. tot er plotseling een file ontstaat met auto’s schuin over de weg en mensen die uit hun gewoon op de weg tot stilstand gebrachte voertuig stappen met fototoestellen en verrekijkers. Wat is er nu helemaal aan de hand, dat het verkeer volkomen wordt lamgelegd? Een beer! Zegge en schrijve één bruine beer (bruine vacht, maar het is een zwarte beer) staat tussen de bomen op een honderdvijftig meter lekker plantjes te verorberen. Dit is de andere kant van ‘wild life spotting’; je bent blijkbaar zelden alleen als er een beest wordt gezien. Dit tafereel herhaalt zich vandaag nog twee keer; eerst een prachtige zwarte beer, die gezellig loopt te scharrelen op een honderd meter en daarna waarschijnlijk nog een beer, maar we zien ervan af om de camper te stoppen en ons bij de opgewonden schare te voegen om naar een beer op afstand te kijken. Een hertje, dat twintig meter na het bord “kijk uit herten” langs de weg staat vertedert meer. Ook de grijze grondeekhoorns in Yosemite Village vinden we weer behoorlijk leuk.

Dan willen we eigenlijk wel naar de camping en we rijden dus gewoon weer helemaal verkeerd en komen bij de verkeerde parkuitgang terecht. Een stukje uitleg van de aardige (vrouwelijke) ranger helpt en ondanks dat TomTom voortdurend op een smalle pasweg (die dus gewoon de goede route blijkt te zijn) “omkeren indien mogelijk” roept, weten we op de camping aan te komen. De camping blijkt dus inderdaad volledig te zijn volgeboekt en onze naam staat keurig op een lijst die aan het rangerhokje bij de ingang hangt. De ranger wil graag van mij horen, hoe je in hemelsnaam “Verkuijl” uitspreekt en herhaalt mijn naam dan diverse malen. We zijn blij dat we op onze plek stonden.

Overal om ons heen stoken de campinggasten flinke vuren, waar vaak vlees op wordt geroosterd (pardon: geroosterd? Zeg liever verbrand! Het lijkt wel een crematorium). De Amerikanen zijn dol op dit soort eten. Flink wat saus erop en bikken maar.

Morgen vroeg vertrekken we naar de grote Sequoia’s en naar de Kings Canyon via Fresno. We hopen daar in de loop van de middag weer aan te komen. Het weer is in ieder geval prachtig.
Dikke hoge bomen vangen veel wind
Donderdag, 28 mei 2009. We rijden weer dwars door Yosemite richting Fresno. Het weer is fantastisch en we verheugen ons op de gigantische sequoia bomen in het Sequoia National Park. De tocht verloopt voorspoedig. Bij Fresno even een blok te ver, maar keren bleek eenvoudig te zijn. Via de Hwy 180 rijden we de parken Kings Canyon en Sequoia National Monument binnen.

Al snel zien we de grote redwoods. Veel schade door bosbranden. De camping is uiteraard weer gereserveerd en is prachtig. Je staat met vele anderen in pure natuur met stroomversnellingen om je heen en de pieken van het hooggebergte omringen ons. Vanmorgen hebben we benzine getankt; zo’n grote bak lust nogal wat. Ook hebben we water ingenomen en zojuist op de camping Lodgepole de afvalwatertanks geloosd. We kunnen er weer tegen.

Ik ontdek, dat de HWY # 198, die we morgen zullen rijden richting het zuiden, ten zeerste wordt ontraden voor RV’s van meer dan 22’ en onze RV is 32’; geen goed plan dus. We gaan morgenochtend eerst de Sherman Tree bekijken, die wel goed bereikbaar is en dan keren we op de parking om en rijden dezelfde weg van vanmiddag terug, om dan langs de bergen naar het zuiden te rijden.
De HWY198 is een eindeloze reeks van haarspelden en steile afdalingen, dus toch maar even niet riskeren.
Wel erg veel haarspeldbochten
Vrijdag, 29 mei 2009. We hebben erg genoten van de prachtige Lodgepole Campground midden in het natuurpark Sequoia. We zagen ’s avonds vlak voor onze neus een stel gaaien. Ze zijn wat kleiner dan de Vlaamse gaai en heten Steller’s Jaybird. De kleur is prachtig blauw en ze zijn zeer actief. Ook de eekhoorns waren weer gezellig aan het rondhuppelen.

Overal crematoria; het echte barbecueën (op houtskool zonder open vlammen) zie je eigenlijk niet. Maar ik moet toegeven, het zijn allemaal echte die-hards, die seniors, die daar goed gekleed zelfs met mutsen en wanten aan de invallende hooggebergtekou trotseren, want we zaten daar wel op 2100 meter. Diezelfde seniors zijn in trainingspakken om zeven uur alweer bezig om het buitenontbijt te verzorgen. Er zijn ook crematoriumliefhebbers die om half acht ’s morgens het vuur al weer laten oplaaien voor de worsten…aan het ontbijt!

Zoals ik gisteren al schreef, zouden we vanmorgen de General Sherman Tree gaan bekijken, daarna omkeren om niet over de gevaarlijke ontraden HWY # 198 te hoeven rijden. Om half zeven staan we op en maken het ontbijt klaar. Je mag de generator pas om acht uur starten, dus brood roosteren is niet mogelijk. Dus ik eet mijn bordje muesli en Els behelpt zich met wat toastjes met jam en honing. Melk opwarmen au bain Marie gaat ook prima. Om acht uur zijn we startklaar en we rijden naar de General Sherman Tree over de Generals Highway.

We rijden tussen de sequoia’s door tot we het bord zien met parkeerplaats voor de General Sherman Tree. Ik had tevoren al de kaart bestudeerd en gezien, dat deze parkeerplaats op een mijl afstand ligt van de boom. De Sherman Shuttle zou zeker dichterbij komen en ja hoor, direct voor de boom zijn wel 15 parkeerplaatsen en ruimte voor de shuttle (die pas om 10 uur gaat rijden). Brutaalweg de camper parkeren en genieten! Deze boom is de grootste levende boom ter wereld en ze is al 2.200 jaar oud. Ieder jaar produceert deze boom evenveel nieuw hout als een normale boom van 18 meter hoog. We lopen er rond, voelen en ervaren de giganten om ons heen en voelen ons klein, erg klein.

We zijn alleen en het is ook nog erg stil; wat een prachtige natuurervaring. Dan lo-pen we terug naar de camper en gaan dus de weg terug, die we gisteren reden. Het kost ons een dik uur om het park weer uit te komen en rijden dan de aanbevolen weg # 245. Op de kaart lijkt deze weg mooi recht. Deze Dry Creek Road blijkt echter te zijn voorzien van een schier ontelbaar aantal bochten en haarspelden. Het verschil met de # 198 is wel, dat de afdalingen minder steil zijn en de haarspelden voldoende breed voor onze camper. Aan het begin staat een waarschuwing, dat de weg ongeschikt is voor landbouwvoertuigen die langer dan 30 voet zijn…. Vooruit maar, dan moet het met 32’ ook wel kunnen.

Het kan inderdaad en de weg is eenzaam en prachtig. We komen urenlang een en-kele auto tegen en zien hier en daar in de verte een boerenoptrekje. Dan wordt het allemaal wat vlakker en krijgen we een wat weidser uitzicht op de High Sierra’s die we net hebben verlaten. We rijden door onafzienbare sinaasappelplantages en dan begint het weer behoorlijk drukker te worden. We rijden de HWY # 65, die parallel loopt aan de HWY # 99, maar iets rustiger. Bij Bakersfield zien we overal om ons heen jaknikkers; er zit dikke olie in de grond. Uiteindelijk gaan we richting Mojave Desert en terwijl we wat regen krijgen weten we de weg te vinden naar de KOA Camping in Barstow (of all places…).

We zitten direct naast de drukke freeway Interstate # 15 van Los Angeles naar Las Vegas. Barstow is dus helemaal niets. Woestijn om ons heen en een kale, stoffige en ook nog dure KOA Camping. Morgen slechts 160 mijlen naar Sin City, Las Ve-gas!
Las Vegas? pffffff….
Zaterdag, 30 mei 2009. We hebben allebei heerlijk uitgeslapen tot half acht en gaan eerst wat huishoudelijk werk doen (de werkster heeft dit weekend vrijaf genomen).
Zo tegen tienen gaan we de Interstate 15 op, de freeway van Los Angeles naar Las Vegas. Het was vrijdag een gekkenhuis, vertelde iemand, die vast op de camping woont, omdat hij in de olie-industrie “in the middle of the desert” werkt. Hij komt uit New Jersey, woont in Alaska en werkt dus nu een half jaar in de Mojave Desert.

Deze snelweg wordt algemeen beschreven als saai, druk en stressend. Wij hebben dit toch heel anders ervaren. Wij vinden de weg eigenlijk fascinerend qua landschap. Die drukte? Ach, we zijn wel wat gewend en er wordt toch over het algemeen erg relaxed gereden. De maximum snelheid is 70 mph en wij rijden lekker met een gangetje van 65 mph. Voor trucks en auto’s met aanhanger is de maximum snelheid hier 55 mph. Het frappante is echter, dat we toch geregeld door zware vrachtwagens worden ingehaald, die dus ruimschoots deze limiet overschrijden. Het is des te opvallender, omdat het werkelijk barst van de politie. Geregeld zie je automobilisten langs de kant van de weg met een politiewagen van de Highway Patrol erachter met rode en blauwe alarmlampen aan. Gelukkig krijgen wij zo’n auto met het “Pull over please” uit de megafoon niet achter ons.

De woestijn links en rechts is zeer gevarieerd en bepaald niet saai. Dan weer lijkt het opgespoten terrein, dan weer honderden Yoshua trees al of niet gecombineerd met Yucca cactussen. Eigenlijk waren er meer Yoshua trees dan in Yoshua Tree National Park bij Los Angeles. Die waren wel wat groter. Na die eindeloze vlakten komen dan woeste kale bergen, die opdoemen met een donkere dreiging. Het landschap is onaards en doen denken aan Death Valley, waar we toch op een 100 mijl langsrijden. De waarschuwingsborden liegen er niet om: adviezen om de airco uit te zetten en in een lagere versnelling te gaan rijden om oververhitting te voorkomen. O.K., er staat geregeld een praatpaal langs de weg, maar echt lekker is het niet om hier met pech langs de weg stil te komen staan.

Dan, over een pas van 4.000 voet zien we ineens Las Vegas opdoemen. Als we dichterbij komen, herkennen we de grote namen, zoals het Bellagio, MGM Grand, Luxor, Caesar’s Palace, enz. In de verte zien we de Stratosphere Tower, die aan het begin van de Strip staat. Wij moeten zijn in Downtown Las Vegas, het noorden dus. We kachelen over de freeway met 60 mph en tellen samen met TomTom de afritten af. We moeten afrit # 43 hebben. We rijden # 42 voorbij en ja hoor, het bord verschijnt…… dat afrit # 43 is afgesloten! Shit happens, dus we rijden door en TomTom past haar advies aan. We komen zowaar vlot in Main Street aan, waar we moeten zijn dus, en verbazen ons over de honderden tentjes, maar ook optrekjes van zeildoek, kartonnen dozen en ander beschermd materiaal, waar duidelijk daklozen ‘wonen’. Je houdt het echt niet voor mogelijk, hele dorpen langs de weg binnen de bebouwde kom van Las Vegas North. Later vertelt een bewaker ons, dat de meesten bewust kiezen voor dit bestaan en leven van bedelgeld van “people like you”. Nooit iets geven, is zijn advies. Hij meent, dat er banen genoeg te vinden zijn voor zeer laag loon. We zien inderdaad later overal mannetjes, die niets anders doen dan peuken en papiertjes opvegen en opruimen. Werkelijk overal is personeel en ik garandeer je, tegen een hongerloon, maar ze hebben wel een baan.

Dan zien we ons hotel Main Street Station. Terwijl TomTom opgewekt roept dat de bestemming is bereikt (goed zo Tommy!) hebben we nog niet de RV parking gevonden. We manoeuvreren de camper de parkeerplaats van het hotel in. Ik wil net de weg gaan vragen, als een auto van Security voor ons stopt: “Can I help you, sir?”. Nou, dat kan hij zeker en de (gewapende) bewaker van het hotel rijdt voor ons uit naar de overkant; het Main Street Station complex is enorm groot. Daar helpt hij ons met bellen naar de receptie, die vertellen waar onze plek is. Deze plek is veel te klein en hij adviseert ons plek # 181 te vragen, die voor ons perfect is. Hij biedt me een lift aan naar de receptie (“You have to walk back, I’m afraid”). De plek # 181 blijkt $ 3 duurder te zijn. Maar dan nog is de prijs belachelijk laag, namelijk $ 17 per nacht voor full hook-up. De camping is niet meer dan een geasfalteerde parkeerplaats met op iedere plaats water, elektra en afvoer. De locatie is prachtig; op enkele minuten lopen van alle casino’s van down-town Las Vegas. We lopen naar Main Street Station Hotel en genieten van de werkelijk prachtige inrichting; hier gaan we vanavond eten. Daarna 3 blokken verder lopen we door naar de Fremont Street. Deze is geheel overdekt en vanavond is het hier groot feest met een schitterende lichtshow, die we gaan zien.

De RV camping wordt voortdurend bewaakt. Om de haverklap zien we een gewapende bewaker, die zijn rondjes doet en iedere RV bekijkt. Ook gaat hij steeds de ruimte met wasautomaten en de toiletruimten in. We horen later, dat de bewaking 24 uur per dag is en er een ronde per 5 tot 10 minuten plaatsvindt. Men is zeer alert op het leger daklozen op enkele honderden meters afstand. “We’ll keep them off”, vertelt een bewaker me later.
Het doet me denken aan de zombies die de shopping mall belagen in de horrorfilm “Dawn Of The Dead”(2004). Als de kraan van onze plaats blijkt te lekken en de be-waker net langs komt, vertel ik hem dat. Onmiddellijk roept hij een onderhoudsman op en nog geen vijf minuten later staat er een elektrische onderhoudswagen met 2 ‘engineers’ op onze plek, die de lekkende kraan repareren.
Let wel, ‘engineer’ heeft echt niet de betekenis van het Nederlandse ‘ingenieur’. Je bent al ‘engineer’, als je een waterpomptang kan vasthouden.

Dan gaan we eten in Main Street Station Hotel, waar ze een huisbrouwerij hebben met een aantal heerlijke bieren, waar ik er eentje (toe maar!) van neem. Els bestelt een Cheese Burger. Obama is gek op Cheese Burgers, maar deze valt nogal tegen. De Filet Mignon met wilde paddestoelen die ik bestel is wel heerlijk. We gaan terug naar de camper en gaan wat uitrusten, om er vanavond bij te zijn.

Om half tien gaan we naar Fremont Street. Dit is eigenlijk het ‘oude’ Las Vegas; hier is het allemaal begonnen. Dit is de straat met de Vegas Vic, de beroemde neon cowboy met de wippende sigaret. Toen de grote hotels aan de strip werden gebouwd, raakte Fremont Street in verval. In 2005 heeft men alles voortvarend aangepakt en werd de hele Fremont Street overdekt. Het plafond is één groot beeldscherm, dus van vele honderden meters. Hierop wordt dagelijks een lichtshow gehouden vanaf 22:00 uur en dan op ieder heel uur. We zien om 22:00 uur een gi-gantisch licht/geluid spel van Queen. Het geluid is overal en het galmt niet. Dit is niet vast te leggen, zo overweldigend is dit.

Ik zal proberen een beschrijving te geven. Om precies 22:00 uur gaan alle lichten uit en je moet je voorstellen, dat Fremont Street een zee van lichtreclames en flitsende lampen is. Exact op datzelfde moment barst een gigantisch onweer los en donkere wolken jagen over je heen en bliksemflitsen en donderslagen volgen elkaar op. De ervaring is compleet; je verwacht ieder moment dat je drijfnat wordt en je kruipt naar elkaar toe. Dan gaat het akoestisch geweld over tot het bombastische “We will rock you” van Queen, compleet met live voorstellingen van een uitvoering. Het publiek wordt extatisch en danst en zingt mee. Dan gaat het over in “We are the champions” en de show wordt steeds spectaculairder. Na 5 minuten gaat het weer over naar “We will rock you” en met een donderend onweersgeweld is de show ten einde. Het zijn maar 5 minuten geweest, maar je ervaart het als een veel langer spektakel. Ja, dit is Las Vegas en we hebben iets vergelijkbaars nog nooit meegemaakt.

Om 23:00 uur zien we het nog een keer, maar dan een show van KISS. Tussentijds kijken en luisteren we naar coverbands, die muziek spelen uit het jaar 1969, het the-ma van deze zomer. De kwaliteit is werkelijk fantastisch en op allerlei plaatsen komen de vaak ons bekende nummers langs. Bij de laatste show worden acrobatische luchttoeren door mooie meiden uitgevoerd. Het publiek is overal enthousiast en de sfeer is top; everybody happy? Yeah!

We kunnen natuurlijk de halve nacht doorhalen, het gaat maar door, het gaat maar door. Maar dan zijn we absoluut de volgende dag(en) gesloopt, dus energie verdelen en morgen is er weer een dag en dan nog wel Pinksteren, dus… ontbijt met een eitje.
Pinksteren in Las Vegas
De luxe van een tweede Pinksterdag kent men in de VS niet en dus moet alles op Pinksterzondag gebeuren. We gaan om een uur of elf naar Main Street Station Hotel voor een champagne brunch. Wat we voorgeschoteld krijgen is werkelijk fan-tastisch. Voedsel van ‘coast to coast’, met als drankje zoveel Californische champagne als je maar wenst.

Eigenlijk is het beter aan te geven aan de ober, dat je geen champagne meer wenst, want iedere keer als je de tafel even hebt verlaten, heeft hij de grote glazen alweer tot de rand met champagne bijgevuld. Het is volkomen onmogelijk om alles te proberen en we zijn beiden uiterst voorzichtig met opscheppen. Alle soorten voedsel is er te vinden, Italiaans, Mexicaans, Amerikaans, Chinees, enz., maar dan wel veel bijzondere gerechten, die we niet kennen. We eten vruchten, die we niet kennen en bepaalde loempia-achtige gerechten met een zachtzure aardbeiensaus. Ondanks, dat we steeds extreem kleine beetjes nemen en veel gerechtjes samen eten, begint het toch aardig te vullen. De prijs van deze overdadige brunch is onwaarschijnlijk laag, namelijk $ 23 voor twee personen incl. alle gerechten en alle drankjes. Kortom, goeie tent, dat Main Street Station Hotel! Dan wandelen we door de zinderende hitte naar de camper om wat te rusten.

Zo tegen half vier weer op pad. We gaan te voet naar de Stratosphere Tower lopen. Dit is een kilometer of vijf en dus best pittig in de zinderende hitte. We zien een andere kant van Las Vegas, van kleine neringen, die al of niet nog functioneren, van vele kantoortjes van Bail Bonds (ze regelen de borgsom bij arrestatie tegen een leuke beloning), allerlei zaken met tweedehands spullen, bijv. oude casinomeubilair, een dichtgetimmerde voormalige ongediertebestrijdingszaak, vrij onduidelijke zaakjes met rondhangende figuren, die ons vriendelijk groeten, kortom nu niet een bepaald toeristische route. Na een uur lopen komen we bij de toren, die maar liefst ruim 300 meter hoog is. We gaan met de lift naar het observatiedek en later een verdieping hoger (verdieping # 109) en genieten van het uitzicht.

Terug naar beneden en lopen naar de Strip. We lopen de volle zes kilometer en doen een aantal bekende zaken aan, waaronder The Venetian, The Bellagio en Ceasar’s Palace. Het is allemaal weer zeer overdonderend en ontzettend druk. De fonteinen van het Bellagio geven weer hun fascinerende show. We gaan met de bus terug naar Downtown en lopen door Fremont Street naar de parkeerplaats van de campers. We kijken terug op een drukke dag met vele indrukken en leuke ontmoetingen. Morgen vroeg op voor een flinke tocht naar Bryce Canyon National Park.
Rock Stars van Utah
Maandag, 1 juni 2009. Terwijl we via het trieste Las Vegas North (“Welcome to Las Vegas North” staat op een bord) de hectiek van deze miljoenenstad verlaten en in-voegen in de drukte van de Interstate 15, verheugen we ons al weer op wat komen gaat: de woeste natuur van Utah, waar we een aantal nationale parken gaan bezoeken. Utah beroemt zich op haar Rock Stars, die nooit uit de tijd zullen zijn.

Als we de I-15 verlaten richting Zion National Park rijden we al vrij snel door enorme kloven en worden omringd door gigantische rode rotsformaties. Als we Zion binnen-rijden, moeten we $ 15 betalen om door de tunnel die in de route ligt te mogen rijden. Na een aantal stops op prachtige uitzichtplaatsen komen we bij de tunnel. We melden ons bij de ranger, die per walkie talkie contact heeft met haar collega aan de andere zijde. Na een aantal minuten komt een konvooi met enkele grotere campers de tunnel uitrijden. Er vindt wat gepraat plaats en de ranger zet de pylon weg; we mogen rijden. De tunnel is aardedonker en wij moeten precies in het midden rijden, omdat we anders met de bovenzijde aan de kanten schade zullen oplopen. In de lange tunnel zitten nog een aantal bochten. Aan de koplampen heb je wel enige steun, maar er is geen enkele reflectie, dus het blijft goed uitkijken. We komen aan de andere kant eruit en hier is het weer iets anders, want het begint te regenen. Later zijn er nog wat buien, maar als we Bryce Canyon National Park naderen, wordt het gelukkig weer beter. We rijden door prachtige natuurgebieden.

Het is de National Scenic Byway 12, die van de US 89 naar de Utah 24 gaat en 124 mijl lang is. Voor deze route zou de oude Indiase wijsheid: “De Weg Is Het Doel”, maar dan letterlijk. Hij eindigt in Capitol Reef National Park, waar we overmorgen zullen overnachten. We gaan in de camping op onze plaats staan. Onze naam staat al bij de plek. Het is behoorlijk druk, maar je hoort niemand. Hier en daar wat vuren, waarop het bekende cremeren plaatsvindt. De natuur is zelfs op de camping soeve-rein.

Als wij rond 19 uur bezig zijn met lasagne in de magnetron (die het alleen doet op de generator) denken we dat we nog tijd genoeg hebben, want tot 20:00 uur mag je de generator laten snorren. Dan komt de ranger enigszins geïrriteerd ons vertellen, dat we storen, want het is al vijf over acht.
Pardon? O nee, hè, ja hoor, we zijn er weer eens ingetuind, we zijn naar een andere tijdzone gereden en het is nu al een uur later. Onze avond gaat zo wel erg snel voorbij. Ik weet de ranger te overtuigen, dat het geen kwade wil is en krijg 5 minuten extra. (“I’ll be back … to check it out”, voegt hij er gemeenlijk aan toe. Probeert nu iedereen hier Arnold Schwarzenegger na te doen?

De temperatuur zakt inmiddels rap, want we zitten boven de 2.000 meter. Morgen gaan we met de shuttle de Hoodoo bekijken, de beroemde rotsen van Bryce.
Doodsoorzaken in Bryce Canyon
Dinsdag, 2 juni 2009. Vreemd genoeg begint de brochure over Bryce Canyon Natio-nal Park met een opsomming van de oorzaken van dodelijke ongevallen in dit park. Er is een ware top 10. Op de nummers 1, 2 en 3 staat “Verkeerd Schoeisel”. Op nummer 2 overmatige inspanning, omdat Bryce op 2.300 meter ligt. Op nummer 3 het pad verlaten en verder nog uitdroging, negeren van slecht weer, voeren van die-ren, klimmen en uitglijden en op nr. 10 verkeersongelukken, vooral door te hard rijden. Interessant toch?

We rijden met de shuttle naar Sunset Point, vanwaar we naar Sunrise Point wandelen, onderweg genietend van de continue wisseling van landschappen. Je kan hier wel blijven fotograferen en het weer zit goed mee. Vanaf Sunset Point ga ik 167 meter omlaag de Navajo Trail lopen; dezelfde korte hike, die ik in 2003 liep. En dan zie je de oorzaken van die ongelukken, natuurlijk niet allemaal dodelijk, maar ik kom mensen tegen, zelfs een met een klein wandelwagentje met huilend kind erin.
De vrouw draagt pumps! Het aantal puffende en zwetende mensen is behoorlijk. Ik zelf hijg als een molenpaard als ik na 45 minuten weer terug ben, moe maar vol-daan.

We gaan lekker Catfish eten in de Bryce Lodge, de enige nog overgebleven lodge uit de twintiger jaren. Alle bekende nationale parken hadden er een, maar ze zijn dus op deze ene na allemaal weg. De vis gaat weer vergezeld van patat en een lap sla, maar het smaakt.

We gaan terug naar de camper en doen het rustig aan vandaag. Morgenochtend tanks legen en water bijvullen, want in Capitol Reef National Park is wederom geen enkele voorziening en staan we tussen de fruitbomen. De camping heet dan ook Fruita Campground. Het is nog geen 200 km over de prachtige Scenic Byroad # 12.

We eindigen de dag met een korte wandeling over de camping en gaan halverwege nog even naar de rand van het amfitheater van Bryce Canyon. Het is weer adembenemend met de ondergaande zon.
Een koude nacht en een koude douche
Woensdag, 3 juni 2009. We hebben een tweede nacht op de prachtige North Campground van Bryce gestaan. Vanwege de grote hoogte wordt het ’s nachts be-hoorlijk koud. Geen probleem, want de kachel laten we gewoon automatisch op 17 graden aanslaan. Toch wel een probleem, want we trekken teveel energie en we staan op in een koude camper zonder warm water!

De led’s van de boordaccu’s geven ‘leeg’ aan en we krijgen het even warm, maar dan in overdrachtelijke zin. Dan maar met koud water douchen en hopen, dat we genoeg power overhebben om a) de motor te starten en b) de Slide-Out naar binnen te trekken. Dit blijkt allemaal prima te gaan en we hoeven zelfs niet met de ‘boost’ te starten. Na een wel erg pover ontbijt (de generator mag pas na 8 uur worden ge-bruikt) zonder geroosterd brood (ongeroosterd is brood in de VS niet te vreten) ver-trekken we.

Maar eerst nog de tank met vers water vullen en de beide afvaltanks legen. Dit ge-beurt buiten de camping op een speciale plaats. Gelukkig is er niemand om van mijn geknoei getuige te zijn, want de slang van de afvoer schiet los als ik net de zwart water tank leeg. Ik zal maar niet beschrijven, wat er allemaal over de betonnen vloer drijft, maar fris is anders. Inmiddels had ik ook de waterslang al aangesloten op de verswatertank en het water spuit aan alle kanten bij de aansluiting eruit. Enfin, een beetje fris water erbij kan geen kwaad en ik sluit de afvoer nu extra zorgvuldig aan. Het grijswater (douche- en gootsteenwater) spoelt de slang van binnen schoon en tot mijn verbazing stroomt dan de verswatertank al royaal over; hoe kan dat nu in zo’n korte tijd? De verklaring is, dat de druk op de waterslang onwaarschijnlijk hoog is, waardoor er a) water bij de aansluiting naar buiten spuit en b) de tank in no time vol is. Ik gebruik deze ‘brandslang’ om alles (vloer en afvoercompartiment) schoon te spuiten en we kunnen rijden!

Zoals al bedacht, gaan de de scenery road # 21 naar Capitol Reef National Park rij-den, waarbij de weg zelf in feite het doel is, zoals de brochures beloven. Alles wat beschreven is blijkt een understatement. Het ene na het andere prachtige en indruk-wekkende landschap ontrolt zich. We rijden de weg met een comfortabele snelheid van rond de 40 mph. Er is vrij weinig verkeer en we doen praktisch alle scenic outlooks aan om ons te verbazen over het uitzicht en het natuurschoon.

We ontmoeten 2 fietsers uit Monterey (bij San Francisco), die per dag 15 tot 35 mijl afleggen en al 3 weken onderweg zijn. Zij zeggen, dat je eigenlijk enigszins ge-stoord moet zijn om zoiets te ondernemen. Let wel, er zijn praktisch geen fietspaden en je fietst in de hitte van de dag, terwijl het overige verkeer langs je heen raast.

Als we ’s middags in de Fruita Campground midden in Capitol Reef aankomen, zijn er nog enkele plaatsen beschikbaar (“First come – First serve” is hier de regel). Even later staan de borden “Campground Full” bij de ingang. Ik ga alleen een trail lopen die omhoog de bergen ingaat, maar moet na een half uur terug, want de wind neemt enorm toe en er dreigt slecht weer en dan wil je hier niet wezen. Als ik op de plek terugkom, vertelt Els, dat het zelfs op de camping even heeft geregend, zo plaatselijk kunnen de buien hier zijn. Later ga ik nog een trail langs de Fremont River lopen en laat me weer verleiden om omhoog te klimmen, nu onder mooie zonnige omstandig-heden.

We bezoeken de Gifford Homestead, een oude boerderij die in 1908 door de poly-gamist Calvin Pendleton werd gebouwd. Daarna woonden nog andere mormonen in deze farm tot 1969. De laatste familie, Giffford, woonde er 41 jaar. Het is nu een museum en een farm met eigengemaakte lekkernijen. We hebben er heerlijk gebak gekocht met aardbeien en rabarber, alles ouderwets huisgemaakt.

Op de camping komen nog 2 herten gezellig langs en grazen wat. Een hert vindt de bladeren van de bomen erg lekker en gaat gewoon op z’n achterpoten staan en trekt dan een tak naar beneden. De vogels zijn hier erg gezellig en hippen voortdurend over de camping. Het zijn allemaal vogels, die we in Nederland niet zien.

Het was een lekkere relaxte dag met een overdonderende natuur.
Kathedralen, sfinxen, kastelen en monsters
Donderdag, 4 juni 2009. Vanmorgen vertrokken van de mooie Fruita Camping middenin de vallei van Capitol Reef National Park. Onderweg verbazen we ons over een piepklein houten schooltje, dat door de mormonen werd gebruikt als school in de winter, want de kinderen moesten op het land meewerken in het voorjaar, de zomer en de herfst. En dan nog beweren, dat de mormonen goed onderwijs voor de kinderen erg belangrijk vonden.

Tijdens het lozen van het afvalwater een geanimeerd gesprek met een man uit Houston, die echter van San Francisco daarheen was verhuisd. Hij miste Frisco nog iedere dag, vooral de Pacific, waar je zo heerlijk over kon uitkijken. “Maar je hebt de Golf toch”, zeiden zijn vrienden dan. Hij vertelt me, dat “ze er niets van begrepen hebben”.

De highway # 24 is niet echt boeiend en we rijden flink door. Het laatste stuk is zelfs stomvervelend, zo saai door de woestijn met bergen in de verte. Dan gaan we Inter-state # 70 op en deze freeway gaat door steeds spannender wordend landschap; de kleuren worden weer rood, roze, oker, opaal en de rotsen krijgen weer mooie fantastische vormen.

Als we Arches National Park binnenrijden, is het net 12 uur geworden en we zoeken een mooie plek om te lunchen. We hebben dan uitzicht op de eerste grote ‘monumenten’. Ik noem de Three Gossips, drie torens, die als menselijke figuren met elkaar babbelen. Let wel, de figuren zijn tientallen meters hoog. We kijken naar de Tower of Babel, een gigantisch brok rode rots.

We rijden naar de Windows Section, waar de rotsen te zien zijn met ronde gaten van tientallen meters diameter. Alles is groot, groot en nog groter. De panorama’s die zich voor ons ontvouwen zijn weids en de afstanden zijn niet in te schatten. Alle rotsformaties hebben namen. Maar we kunnen natuurlijk ook zelf onze fantasie laten werken. We zien dus sfinxen, gebouwen als kathedralen, archiefkasten van honderden meters lang met hangmappen van minstens 20 meter en natuurlijk vele monsters. Na een tocht van ruim 3 uur gaan we het park uit en naar de KOA camping van Moab. We staan gelukkig in de schaduw op een z.g. Pull Through plaats met alle voorzieningen, incl. WiFi.

Als ik de weersverwachting voor de komende week bekijk van het gebied waar we naar toe gaan, slaat de schrik me om het hart. Maximum temperaturen van krap 6 tot 10 graden, onweersbuien en zelfs sneeuw wordt voorspeld. Maar wat te doen? Ook Yellowstone ziet er beroerd uit. We besluiten het erop te wagen en zullen er het bes-te van maken. Uiteindelijk hebben we niet voor niets truien, winterjassen en zelfs handschoenen bij ons. We gaan morgen dus gewoon naar Flaming Gorge en gaan genieten van de woeste natuur van dat gebied.
Een persoonlijke kus en polygaam bier
Vrijdag, 5 juni 2009. Vanmorgen na een lange hete douche in de perfecte wasruimte van KOA, Moab vertrokken. In het centrum van Moab gewinkeld in de goed georganiseerde City Super Market en ons laten verleiden tot heerlijke verse producten. Eindelijk diverse visgerechten kunnen kopen. Geld getrokken bij een ATM (flappentap). Ik betaal in principe alles met creditcards, maar contant geld is bijvoorbeeld nodig bij natuurcampings, waar je geld in een zakje moet doen. Verder heb je vaak 1 dollar biljetten nodig voor de fooien.

Over de HWY # 191 rijdend genieten we nog volop van de rode rotsen van Utah. Dan komen we op de Interstate # 70 en rijden dezelfde route van gisteren, maar nu naar het westen. Dan bij Green River, waar we pauzeren en lunchen, rijden we ver-der over de # 191, die even ‘te gast’ was op de Interstate # 70. Die combinatie van diverse routes over hetzelfde traject komt hier vaak voor, soms wel 3 tegelijk. Het is dan wel goed uitkijken en we rijden wel eens verkeerd, maar gelukkig ontdekken we dat meestal snel als Tommy begint te jammeren, dat we echt moeten omkeren. Ook Els ontdekt het meestal snel, maar dan ben ik er al bijvoorbeeld voorbij gereden en keren met onze camper kan niet overal even simpel, vooral niet in de bergen.

In Green River staan we middenin het dorp. Het is hier een mijnstreek en de armoe is overal te zien. O.K., het zijn allemaal vrijstaande houten woningen met porch, maar vaak verveloos en in een abominabele toestand. Op de porch steevast een afgeleefde salonbank. We lezen op een herdenkingsplaat bij een hangbrug over de Green River, dat de werkeloosheid in Utah tijdens de crisisjaren dertig 63% was. Dit is toch ongekend. Er was een overheidsorganisatie die toen praktisch alle openbare gebouwen in Utah heeft gebouwd bij wijze van werkverschaffing.

Wij kijken op een woning, waar de indiaanse bewoner zijn schamele tuintje besproeid. De buurvrouw loopt naar haar bouwvallige schuur met een baby op de arm en drie kleine kinderen achter haar aan. Er komt een local op een dikke Harley langs tuffen. De auto’s zijn bijna allemaal oude gedeukte pick-ups. Bij de woningen staan vaak meerdere wrakken; allicht dat er op die manier een auto aan de praat wordt gehouden. Het is in alle plaatsen, waar we doorrijden eigenlijk hetzelfde beeld: alleenstaande houten woningen met een enorme zooi eromheen. Soms staan er op een perceel nog enkele oude caravans, maar we zien ook een slecht onderhouden woning, waar een fonkelende 45’ diesel-pusher naast staat. Wat is het verhaal? Geen idee. Snowbirds misschien?

Dan gaan we verder. We missen de afslag van # 191 en kunnen pas na 10 mijl ke-ren; grrrrrr…. Dan blijkt de drukke # 191 veranderd te zijn in een scenic byway en de omgeving wordt indrukwekkend mooi. Hoge bergen omringen ons en de groen schakeringen zijn velerlei. De weg kronkelt langzaam en helemaal niet steil hoger en hoger. Dan zijn we op pashoogte en die is maar liefst 9.000 voet oftewel 2.700 meter en dat is verrekte hoog. Ook de afdaling is zeer geleidelijk en het landschap wisselt sterk af.

We komen bij Vernal en gaan op zoek naar Steinaker State Park, waar we in de natuur ‘dry camping’ willen doen. We weten het vrij vlot te vinden (maar enkele mijlen verkeerd gereden) en melden ons bij de receptie. Tot onze verbazing zijn hier full hook-up plaatsen te krijgen. Of we hebben gereserveerd, wordt ons gevraagd. Dat hebben we niet en we mogen zoeken. Plaats # 7 is de enige vrije full hook-up plaats en die heeft een prachtig uitzicht naar voren en aan een zijde op het Steinaker Reservoir. Dit is een groot stuwmeer van maximaal 40 meter diep, dat nu tot de rand is gevuld. Het park ligt op ruim 1.650 meter hoogte. Dit is het land van de dinosaurussen, die hier 130 miljoen jaar geleden rondstapten, zwommen en vlogen. Ik hoor, dat de rangers van State Parks in Utah sheriff zijn en dus ge-wapend. Op de wagens staat dan ook “Law Enforcement”. De rangers van National Parks zijn dat niet. Ondanks de regen die valt, genieten we van de rust en kijken om ons heen. We horen alleen insecten en vogels.

Dan breekt de ondergaande zon door en ik snel naar buiten om wat plaatjes te schieten. De verlichte bergen tegen die dreigende lucht zijn prachtig om te zien. De foto’s komen in de buurt van de werkelijke ervaring; je kan nu eenmaal niet alles vastleggen, maar de ervaring staat op ons netvlies en de geschoten plaatjes helpen de herinnering levendig te houden, toch?

Op de televisie is een uitzending van een live concert uit New York van ene Josh Groban. De man heeft een prachtige stem met een Iers timbre. Na het concert komt een commercial met de mogelijkheid om e.e.a. aan te schaffen. De prijzen verbazen ons: de CD kost $ 60,--, de DVD $ 100,-- en de combinatie van de DVD met 3 CD’s kost maar liefst $ 225,--. Je steunt daarmee de televisiezender KBYU (“TV you can trust, thank you”), waardoor het mogelijk blijft om concerten uit te zenden. Er volgt nog een vraaggesprek en een oproep van Josh zelf, die zegt, dat hij iedere verkochte CD of DVD persoonlijk zal kussen…. nou ja! Zie ook www.KBYUTV.org.

Hierna volgt een zinderend concert van de virtuoze violist David Garret. Ook nu dure DVD’s en CD’s met dezelfde oproep, alleen nu geen persoonlijke kussen. De zender draait geheel op vrijwillige contributies. Voor $ 40,-- per jaar ben je lid. En het werkt…. echt. Ook worden kinderen “ingezet” en de omroepster meldt, dat haar dochter vroeg:”Mammy, can I have that DVD, so I can see David again?”

Ik volg ook nog even een serieuze Bijbelstudie door vier mannen in pak in een stu-deerkamer met een indrukwekkende wand boeken. Het zijn Latter Day Saints. Ze halen Bijbelteksten aan en “tonen daar mee aan” dat de dood van Abraham Lincoln niet echt toevallig was, maar min of meer het gevolg zou kunnen zijn van het feit, dat hij de vervolging van de mormonen zou hebben gelegaliseerd, hetgeen een jaar voor zijn dood plaatsgreep. Ze spraken over de Mormon Trail, de zwerftocht van de vervolgde mormonen en de uiteindelijke bestemming in Utah. De oprichter van deze kerk (noem het geen sekte….) Joseph Smith werd door een woedende menigte ge-lyncht. In Utah zijn overigens 70% van de inwoners lid van de Latter Day Saints, ook bekend staand als mormonen. De Saints zitten overal in en bij het zaken doen of een bedrijf runnen kun je niet om deze “Heiligen van de Laatste Dagen” heen.

Nog even iets over enkele opvallende biermerken uit Utah. Een Amber Ale van het merk Dead Horse, gebotteld voor de Moab Brewery. Het bier is genoemd naar het nabije State Park “Dead Horse Point” en heeft als slogan “You Can’t Beat a Dead Horse”, wat een prachtige woordspeling is. Het andere opvallende biermerk is Poly-gamy Porter van de Utah Brewers Cooperative. Ook hun slogan is zeer humoristisch als je beschouwd dat het om mormonen gaat: “Why have just one if you can have more?”. Ook suggereert men:”Bring some Home for the Wives!” Dolle boel hier in Utah…. Overigens is polygamie officieel verboden, maar er zijn nog een aantal fun-damentalistische families, waar de heer des huizes meerdere echtgenotes er op na houdt. Deze families wonen in afgelegen gebieden op zichzelf.

Zoals gisteren al vernomen, zijn de weersvooruitzichten eigenlijk nogal beroerd. Ik sprak een medekampeerder, die me vertelde, dat hij gisteren nog bij Denver (Colora-do) in een sneeuwjacht reed. We zijn benieuwd naar de dagen die komen. Morgen overnachten we in een camping slechts 15 mijl onder de zuidelijke ingang van Yel-lowstone. Voordat we daar zijn, moeten we wel ruim 500 km afleggen en enkele ho-ge passen bedwingen. We zullen vroeg op pad zijn.
Vijf uur gegarandeerd visplezier in ijskoud water
Zaterdag, 6 mei 2009. We worden wakker met een opkomende zon onder een strak blauwe hemel. Het landschap om ons heen is buitengewoon. Nu met de morgenzon ziet alles er weer anders uit, dan gisterenavond met de avondzon onder dreigende luchten. Het heeft vannacht wat geregend, maar niets van onweer, windstoten of ander onheil, zoals de verwachtingen waren.

We maken alles klaar en vertrekken na het lekkere ontbijt (ja, in de zon!) al om 07:15 uur richting Grand Teton. Met dit lekkere weer gaan we verder de HWY # 191 rijden, die ons helemaal tot bij de camping in Grand Teton National Park zal brengen. We hebben nog ruim 500 km te gaan en we beginnen met een gigantische klimpartij, waar een medekampeerder ons gisteren al voor had gewaarschuwd. We komen we-derom uit op een hoogte van ruim 2.500 meter en daarna nog op 2.900 meter en het is er lekker fris, nog steeds met stralende ochtendzon.

We komen dan bij Flaming Gorge, een prachtig stuwmeer, dat tot de rand is gevuld. We tanken bij een “plaatsje” dat Dutch John heet en dat bestaat uit een winkel annex pompstation, enkele huizen, een heus postkantoortje en natuurlijk een kerkje. De winkel, waar ik voor de benzine moet betalen, staat vol met winkelende Amerikaanse vissers. Alles draait hier om vissen. Men discussieert over de juiste vlieg (“lure”) voor bepaalde vissen. De meest griezelig echte kunststof monstertjes zijn er te koop. Het zijn alleen maar mannen, die deze ruige sport beoefenen. Je kan voor twee personen een visdag reserveren voor $ 325,--. Je gaat dan met een 9- persoons 4WD jeep naar de visgronden en wordt voorzien van alle attributen, incl. een vispak, waarmee je dan tot over je middel in het snelstromende ijskoude water van de Green River kan staan. Men garandeert vijf uur visplezier plus foto met een gevangen vis!
Brrrrrr… wij eten de vis liever.

Dan wordt het weer minder fraai en de lucht trekt helemaal dicht, naarmate we meer naar het noorden rijden. We passeren een rivier, die de Big Sandy River heet en als we eroverheen rijden, blijkt het een stroompje van amper 3 meter breed te zijn. We zijn inmiddels Utah uit en rijden Wyoming binnen, de cowboystaat. Dit is het echte wilde westen, althans dat claimt men. We komen door een dorp Boulder na zo’n 70 km leegte en alleen woestijn. Dit dorp heeft 75 inwoners en heeft naast enkele wo-ningen uiteraard een …. kerkje. Toch handig, iedereen hetzelfde geloof en alle 75 inwoners ’s zondags gezellig naar de kerk. Als je nagaat, dat in een dorp als Wilsum al twee kerken staan en ook in Zalk dacht ik zelfs drie. Hetzelfde geloof is dus niet alleen gezelliger, maar ook economischer.

Het weer is afwisselend beroerd en iets minder beroerd, vooral de harde wind maakt het rijden niet tot een pretje. Als zo’n joekel van een Amerikaanse vrachtwagen je als tegenligger passeert, krijgt de camper een flinke klap. We pauzeren bij een plaats, waar de Oregon Trail werd gereden door de pioniers van destijds. Het karrenspoor gaat dwars door de woestijn en we kunnen ons toch wel iets voorstellen van de ontberingen in die huifkarren. Dan is een camper toch iets comfortabeler. Door het leggen van deze trail bespaarde men overigens 5 dagen reizen op weg naar Oregon. Dan stopt er zowaar een andere auto. De man blijkt een lekke band te hebben en terwijl zijn vrouw een soort poncho boven hem houdt zit hij bij de band en gaat aan de gang.

We rijden door een desolaat woestijnlandschap en de weg is geregeld behoorlijk slecht, waarschijnlijk om je toch iets van het pioniersbestaan te laten voelen. Wat me opvalt, zijn de verschillen in boetes voor ‘littering’, vervuilen van de berm van de weg. In de ene staat bedraagt de maximale boete $ 2.000,--, in een andere staat weer $ 1.000,-- en nu in Wyoming “slechts” $ 750,--.

De HWY # 191 gaat door en vanaf Hoback Junction wordt het weer een echte sce-nic road en de natuur om ons heen wordt snel bergachtig. In de verte doemen de besneeuwde toppen van het machtige Grand Teton gebergte op. Dan rijden we Jackson binnen, je weet wel van de song van Johnny Cash en June Carter. Dit is een stad van zo’n kleine 90.000 inwoners, die geheel draait op het berg- en watertoerisme. De straten waar we doorrijden (parkeren is voor ons uitgesloten) zijn zeer onoverzichtelijk en alle shops staan kris kras neergesmeten. De schreeuwerige reclameborden proberen je aandacht te vangen, maar door de overdaad aan reclame zie je ze als één woud van kreten. Uiteraard zijn alle fast food restaurants vertegenwoordigd, zoals McDonalds, Denny’s, KFC, Jack-in-the-Box, enz.

De verschillende kerkjes staan in een soort kerkenboulevard met prachtige namen als “Church of Christ” en “Tabernacle of God”.Ze zijn onveranderlijk van hout en meestal wit geschilderd, omgeven door een gazonnetje, dat met een nagelschaartje lijkt te worden bijgehouden. Hier in Jackson zit men blijkbaar toch niet allemaal op dezelfde lijn, zoals in Boulder. Dan is die ene grote tempel in Salt Lake City weer economischer. In Utah zijn overigens 70% van de inwoners lid van de Latter Day Saints, ook bekend staande als mormonen.

Dan rijden we Grand Teton National Park binnen. We krijgen een plaats in het RV-park en staan tussen de bomen en de vele tientallen andere campers; wij zijn met onze 10 meter ongeveer de kleinste. We kopen een bak notenijs, die wel erg Amerikaans zoet smaakt. Toch maar weer volgende keer Haegen Dasz, tenminste als we deze enorme bak nog opkrijgen….

Tegenover ons staat een diesel-pusher van 45’, een Endeavor, waarvan de eigenaar zorgvuldig z’n ramen wast. Hij beschikt over allerlei vernuftige hulpmiddelen, zoals een opvouwbaar opstapje. Hij is een tijdje bezig en verdwijnt dan in de RV. Na enige tijd komt hij naar buiten met in z’n linkerhand een flesje bier en in de rechterhand een piekklein bibberhondje. Hij zet het hondje op de grond en laat het wat rondscharrelen, loopt er achteraan, drinkt af en toe een slok bier, raapt het hondje van de grond, loopt weer terug, zet het hondje weer neer en het hele ritueel herhaalt zich zeker een keer op tien. Dan gaat hondje weer met baasje en (leeg) bierflesje de RV in en we zien hem niet meer. En verder tikt de regen op het dak. Geen voorspelde stormen gelukkig. Morgen schoonmaak- en wasdag.
Een witte Kerst in juni
Zondag, 7 juni 2009. De hele nacht heeft het geregend en het is verrekte koud, dus de verwarming in de camper houdt de temperatuur op 17 graden. We slapen lekker uit, dus pas tegen een uur of half tien zitten we uitgebreid met gekookt eitje te ontbijten. We gaan als het even wat minder regent naar de wasserij, een professioneel geleide wasserette. Dan begint het buiten te sneeuwen.

Vanmorgen zijn er al vele RV’s over de HWY # 191 naar Yellowstone vertrokken. En de eerste wagens komen terug. Er wordt druk gebeld vanaf de Southern Entrance naar de camping, of ze terug mogen komen, want Yellowstone heeft de poorten ge-sloten wegens zware sneeuwval. De wagens die terugkomen rond het middaguur zijn zwaar besneeuwd. Hier blijft de sneeuw niet op de grond liggen, alleen op de auto’s.

Hoe gaat het in een Amerikaanse wasserette? Je doet alles met quarters, een kwart dollar. Hierop zijn we voorbereid en reeds in Las Vegas wisselden we $ 10 voor een rol quarters. Je kiest vervolgens een wasmachine (er staan er zo’n twintig stuks), doet je was erin, wasmiddel en zeven quarters. Na een half uur is alles klaar en gaat de schone was in een van de twintig drogers, die op vier quarters zijn werk doet.

In de sneeuwbui, die maar doorgaat, gaan we terug naar de camper. Dan breekt de zon door en het weer verbetert. We horen ook, dat Yellowstone weer open is. Als dit morgenochtend ook het geval is, hoeven we geen 120 km om te rijden om naar West-Yellowstone te rijden. We wandelen wat langs het prachtige Jackson Lake met de besneeuwde Grand Teton soeverein op de achtergrond.

De middag brengen we vooral lezend door met op de lokale radio een gezellige show. Het nieuws wordt beheerst door het bericht, dat er vanmiddag maar liefst vijf tornado’s in Colorado zijn geweest, maar 500 mijl hier vandaan. Eén van de “twis-ters” is maar liefst dertig minuten aan de grond geweest; de schade is aanzienlijk. Daarmee is onze sneeuw kinderspel. Onze buren komen uit Colorado en kwamen om een uur of vijf aan na een lange rit rechtstreeks van huis! Zij hebben onderweg zware hagelbuien gehad.

Verder valt op, dat Canada de bedrijven uit de V.S. uitsluit voor openbare aanbeste-dingen. Dit als reactie op de Amerikaanse protectionistische maatregelen, die volle-dig indruisen tegen het door de V.S. zelf verkondigde adagium, dat protectionisme als middel om de economie op te krikken veroordeelt. En intussen draaien de Ameri-kaanse dollarpersen gewoon door.

We kopen in de prachtige giftshop cadeautjes voor de kinderen (en kleinkinderen!) en schrijven wat kaarten. Ook bezondigen wij ons aan een chocolade muffin, die verleidelijk en onweerstaanbaar in vitrine naar ons lag te lonken. De camper is inmiddels weer spic en span en we zijn helemaal uitgerust en klaar voor Yellowstone!
Yellowstone: zon, sneeuw, bisons, herten, adelaar
Maandag, 8 juni 2009. Vanmorgen vertrekken we uit het bos in de Grand Teton. We willen aanvankelijk nog eerst een tocht maken langs het Jackson Lake. Donkere wolken pakken zich echter samen en we besluiten direct naar de Southern Entrance van Yellowstone te rijden, nu die tenminste nog open is. Enkele mijlen voor Yellowstone houdt de asfaltering op en wordt de weg een ‘dirt road’. Met een zeer lage snelheid hobbelen we langs de kuilen met een file auto’s achter ons aan. Dan wordt de weg geblokkeerd en staan we stil in een lange file.

De ‘dirt road’ is het gevolg van werk aan de weg. Men heeft over enkele mijlen alle asfalt verwijderd en bij de blokkering is men druk over een weghelft aan het werk. Ook hier vallen de MSA helmen van de wegwerkers weer op. Meestal zijn dit V Gards en soms zie ik ook TopGards. Deze helmen hebben we de afgelopen weken al erg veel gezien. Het verkeer komt weer op gang en we naderen Yellowstone, het oudste (1872) Nationale Park ter wereld. En dan zijn we binnen. In feite was Yellowstone de trigger voor onze Amerikareis, dus er zindert wel enige sensatie door ons heen.

Al vrij snel hebben we een eerste ontmoeting met wilde dieren en we genieten van een groep grazende elks langs de weg. Ze steken vlak voor ons over en kijken ons aan met een blik van:”Waag het niet door te rijden…..” We schieten mooie plaatjes. Daarna volgen prachtige watervallen, dampende velden met veel vulkanische activiteit en een groep bisons (de z.g. ‘buffalo’). Ook hier blijf je plaatjes schieten, zo opwindend is het kijken naar deze prachtige beesten.

Het weer is niet eens slecht. Vaak zon, dan weer een plotselinge bui met natte sneeuw. Vaak dreigende luchten, die het hele landschap weer een extra spannende dimensie geven.

We maken een wandeling rond de Old Faithful, die helaas net was uitgebarsten. Het opspuitende hete water komt meestal tot 45 meter hoog met een record van 120 meter. We wachten niet op de volgende uitbarsting, die naar verwachting over zo’n negentig minuten zal plaatsvinden. We komen nog wel terug. We gaan nog naar andere geisers, die wat bescheidener zijn, maar de ervaring van het tussen de borrelde geisers door te lopen, soms onzichtbaar door de waterdamp, is fantastisch.

Dan plotseling een verkeersopstopping met opgewonden mensen met camera’s en verrekijkers: er is weer wat te zien. Wat we te zien krijgen is geweldig: een prachtige Amerikaanse adelaar (American Eagle) op het nest in een hoge boom. Wat is dit mooi; we genieten ervan. En gelukkig net geen regen, maar een zonnetje.

We doen nog wat scenic tours langs nog meer dampende velden en bruisende wa-tervallen en verlaten later in de middag Yellowstone om naar de K.O.A. kamping (deze keten probeert de spelling te beïnvloeden) te rijden. Deze ligt 6 mijl ten westen van West-Yellowstone en dit wordt onze thuisbasis voor de komende 4 dagen.

Onze plaats is voorzien van alle gemakken, inclusief een waardeloos werkende Wi-Fi… wat een ergernis! De plaats heeft zelfs een betonnen perron (het is net een bushalte van Connexxion), zodat we niet voordurend onze camper bevuilen met naalden, bladeren en modder. Ook hebben we een heuse schommelbank bij het crematorium en de vuurring. Helaas valt er een enorme hoeveelheid regen uit de lucht en we blijven binnen. Morgen een nieuwe dag voor Yellowstone. We gaan dan een andere ‘loop’ rijden.

Een kudde bizons op de highway
Dinsdag 9 juni 2009. Na een goede nacht vanmorgen monter opgestaan om onze tweede dag Yellowstone te beginnen. We doen eerst de boodschappen in een lokale supermarkt, waar ons geregeld wordt gevraagd, of we alles kunnen vinden en “happy” zijn, maar dat zijn we wel gewend in de V.S, die vergaande ‘courtesy’, waar we in ons Nederland iets meer van zouden mogen hebben. We rijden de westelijke ingang van Yellowstone binnen en worden vrij snel geconfronteerd met dezelfde ‘bold eagle’ van gisteren, maar nu aan de andere kant van de weg in de top van een spar.

Het verkeer stokt altijd bij dit soort ontmoetingen en we kijken vol bewondering naar deze machtige Amerikaanse adelaar. Dan gaat hij vliegen hij wiekt weg over de bos-sen van Yellowstone. Als we later om een uur of 6 weer langs komen, zit de adelaar weer op het nest.

Er is een verkeersopstopping; het verkeer staat volkomen stil. Vreemd is ook, dat er lange tijd geen tegenliggers zijn. Dan wordt duidelijk wat de oorzaak van de file is: er komen een aantal bizons doodgemoedereerd over de weg aansjokken, fantastisch. Wij zitten in de camper hoog en droog en … eerste rang. De groep bizons blijkt de ‘kopgroep’ te zijn: er volgt een hele kudde. Ze lopen links en rechts langs de auto’s en stoppen geregeld, kijken eens om en houden vooral ook de jonge bizons in de gaten. Als een man met een fototoestel de bizons iets te dicht nadert, haalt een van de bizons dreigend uit en de man moet zich met een zwaai over de motorkap van een (zijn?) auto in veiligheid brengen. Als je nagaat, dat een volwassen bizon 900 kg weegt en zo’n dertig km/uur kan lopen, lijkt me een confrontatie niet aan te bevelen. De jonge bizons zijn zeer aandoenlijk en sjokken met kleine pasjes achter de oudere dieren aan. Als de hele kudde is gepasseerd komen we in beweging en passeren de tegenliggende file auto’s van vele kilometers (die dus niets hebben gezien), die in bizontempo vooruitkomen.

We zien verder nog elken en ook weer met een jong dier. Het fotograferen van een moederdier met jong, die vlak voor je oversteken geeft enorme voldoening. De dieren kijken je aan, het moederdier besnuffelt haar jong en samen gaan ze de wildernis weer in. Een stel berggeiten steekt over en springt over de rand van een ravijn. Daar blijkt een lekker plekje te zijn om te gaan zitten. De geiten kijken je aan met een blik van “wie doet me wat”.

We gaan een pas over van 2.700 meter. Er is veel verse sneeuw gevallen en het landschap is geweldig. Gisteren was deze pas nog afgesloten, dus we hebben wer-kelijk alle geluk van de wereld. De uitzichten op de omliggende bergen zijn indrukwekkend; alle toppen zijn zwaar besneeuwd. Het is ook koud en de meegenomen winterjassen komen goed van pas. Thuis in Kampen heb ik in de haast op het laatste moment nog mijn handschoenen meegenomen, die hier niet overdreven zijn; veel mensen dragen handschoenen, dassen en wollen mutsen. Helaas beschik ik nu over twee linker handschoenen. Thuis liggen dus twee rechter handschoenen; het lijkt wel een mop.

Er is weer opwinding: auto’s langs de kant. Mensen met ‘kanon’-lensen op hun ca-mera’s. Goed kijken, nog eens kijken en ja hoor, aan de overkant van de Madisonri-vier staat een elk. Dan ziet Els waar de opwinding over gaat: er staat een klein elkje naast haar moeder en mama is van plan naar de overkant te gaan. Ze stapt in het ongetwijfeld ijskoude water. Klein elkje blijft aarzelend op de kant staan. Als mama al halverwege is, gaat zij voorzichtig te water en moet zwemmen, want mama heeft veel langere poten! Dan wacht mama halverwege de rivier tot het kleintje erbij is gekomen en gaat verder. Dan, op de kant van de overzijde, staan ze allebei drijfnat en schudden zich uit. Mama geeft haar jong een goedkeurend likje: goed gedaan jong! Wij kijken het hele gebeuren uit en weten alles te fotograferen, helaas zonder ‘kanon’lens op de camera, maar de herinnering blijft.

We bezoeken enorme velden met borrelende heetwaterbronnen en geisers. Het ruikt er vaag naar rotte eieren. De vergelijking die je wel eens in reisverslagen leest met een rioolzuivering vind ik sterk overdreven. De geur is absoluut niet misselijkmakend en goed te verdragen. Sommige van die velden met hun dorre bomen geven een zeer surrealistische sfeer; je bent in de wereld van Salvador Dali. Hij moet zijn inspiraties mede van dit soort gebieden hebben opgedaan. Je kunt je fantasie laten werken en je op een andere planeet wanen of in Jules Verne’s “Reis naar het middelpunt van de aarde”.

We bezoeken het enorme complex van Mammoth Hot Springs. Alweer heetwater-bronnen? Ja, alweer en steeds blijf je onder de indruk van deze aardse natuurkrach-ten en van de kleuren van al dat gezwavel. Ook hier is de zwavelwaterstof weer dui-delijk aanwezig. Parkeren bij dit soort grote bezienswaardigheden is met een 10 me-ter lange camper niet altijd eenvoudig of juist wel, want ik plant hem gewoon neer, waar plek is. Dit zijn niet altijd officiële plaatsen, maar op de RV plaatsen staan ook weer vaak auto’s geparkeerd. Het doet me denken aan John Cleese die in een van z’n sketches demonstreerde, dat parkeren in Londen helemaal geen probleem was, als je tenminste met een Shermann tank de straat inreed en vervolgens verpletterde hij met de tank een aantal geparkeerde auto’s.

Aan het eind van de middag komen we wederom achter een kleinere groep sjokken-de bizons te rijden met slechts een personenauto voor ons. We hebben weer prach-tig uitzicht op deze dieren en ook nu is er weer een aandoenlijk kleine bizon bij. Later staat er nog op enkele meters naast ons een grote Elk, maar we hebben genoeg foto’s van bizons, elken, geiten, adelaar en rijden naar huis. We gaan eten.

Buffalo Bill
Woensdag, 10 juni 2009. We hebben ons verslapen, want we zouden vroeg opstaan. We worden pas om half acht wakker en al met al komen we toch nog om kwart over negen in Yellowstone aan. Het reisdoel is deze keer niet Yellowstone zelf, maar de plaats Cody, genoemd naar de stichter van de stad, William (Bill) Cody, oftewel Buffalo Bill. Ook de reis zelf is een doel, want dit is weer een prachtige route door een gevarieerd landschap. Dan komen we na 225 km in Cody aan en gaan we lunchen in het antieke Irma hotel. We kunnen nog net een plaatsje bemachtigen.

De reis door Yellowstone van de west- naar de oostingang zorgt ook weer voor ver-rassingen. We worden al direct geconfronteerd met een hert dat vlak voor ons de weg oversteekt op de manier waarop ze op de verkeersborden worden afgebeeld. Verderop een kleine opstopping en er staat een moederbizon op de weg met een drinkend jong. Vanuit de camper kunnen we alles prachtig volgen, hoe ze daar rustig midden op de weg staan, onverstoorbaar. Na een tijdje komt er een andere bizon oversteken, die totaal geen acht slaat op de moeder/kind scène. Er komt nog een jong kijken, die ook wel trek schijnt te hebben, maar de moederbizon heeft er genoeg van en loopt de weg af, gevolgd door haar jong. Het andere jong is gewoon lekker op de weg gaan liggen! Pas even later komt ook dit jong overeind en gaat naar de kudde in de wei. Dan volgen plotseling nog een aantal bizons, die gaan oversteken. Al met al een prachtige vertoning.

Later zien we een coyote oversteken. Prachtig beest, zo uit de verhalen van Lucky Luke gestapt.

Cody zelf stelt niet veel voor. Het gaat hier vooral om wat je er allemaal kunt doen en daar hebben we helaas geen tijd voor. Een korte opsomming: Buffalo Bill Historical Center, een immens complex van vijf musea over het wilde westen en natuurlijk de nationale held Buffalo Bill. Je kan met een trolley 60 minuten door Cody rijden, mm-mwah…. Er is een nagebouwd Cody, zoals het vroeger geweest was. Er is ’s avonds een Chuckwagen dinner and entertainment (huifkarrenfeest). Iedere avond treden de Cody Gunfighters op met een show van schieten en doodgaan. Ook iedere avond een rodeo en natuurlijk de Cowboy Music Revue. Ik sprak met een groep “gunmen”, die meededen aan een shoot-out contest, waarin de groep die het beste schieten en doodgaan kan demonstreren wint. Ik heb ze van harte succes gewenst.

Na het eten besluiten we de prachtige route terug te nemen en een aantal outlooks aan te doen. We bezoeken uitgebreid de Mud Volcano en dit is inderdaad de moeite weer volop waard; wat een ontmoeting met de onbedwingbare natuurkrachten. Al met al een prachtige dag, waarin veel is gereden, maar ook veel is beleefd. Morgen gaan we toch proberen de Old Faithful te zien spuiten. Verder doen we rustig aan en gaan wat winkelen in West-Yellowstone.
Bijna als St.-Hubertus, maar dan met een camera
Donderdag, 11 juni 2009. Vandaag zoals al bedacht een rustige dag. We gaan in de loop van de morgen Yellowstone weer binnen en willen direct doorrijden naar de Old Faithful. En dan die file, een hele lange file die gaat zover het oog reikt. Wij als ‘regulars’ weten inmiddels wat dit betekent: bizons op de weg. Helaas hebben wij dit keer alleen de file en niet de bizons. Na bijna drie kwartier zijn we bij de oorzaak en de vermaledijde bizonkudde staat rechts vredig in de wei te grazen; file opgelost!

We genieten van de prachtige natuurbeesten en rijden door. Later weer bizons, maar nu vlakbij. Ik nader de bizon tot op 5 meter, hetgeen normaal een uiterst riskante bezigheid is, maar gelukkig zit er een kreek tussen en bizons zwemmen niet. De bizon graast lekker door en kijkt me op zeker moment aan: YES de foto!

We komen aan bij het Old Faithful complex. Een enorm terrein met diverse parkeer-terreinen, lodges, voorlichtingstenten, bezoekerscentrum, servicecentrum voor RV’s en natuurlijk de Old Faithful en een uitgestrekt gebied met geisers en warmwater-bronnen. Overal waterdamp, gesis, geborrel en stromend water. Wij horen, dat de geiser naar verwachting rond 13:10 gaat werken; het kan 10 minuten eerder of later worden. Er staat een enorme mensenmenigte te wachten, meestal voorzien van ca-mera’s in alle soorten. En dan die spanning; wanneer gaat hij spuiten. Eigenlijk een hele vreemde vertoning, met zovelen wachten op een natuurlijke fontein. Wij gaan er niet bij staan, maar gaan lekker in onze camper een boterhammetje eten met ham en kaas. We zorgen wel dat we op tijd zijn.

De geiser geeft wat stoom af, sist wat, blaast wat en spuit af en toe wat kokend water omhoog tot een meter, hooguit. Maar iedere keer raakt iedereen in verrukking, want het gaat NU gebeuren. Weer niets en er komt bijna geen damp meer uit. Dan weer wat gesis en damp en meer damp Een grapjas zegt:”O.K. folks, that’s it, thank you.” en het volk grinnikt zenuwachtig. En dan ineens ‘the real thing’ de Old Faithful spuit en hoe! Tot enkele tientallen meters worden in enkele minuten tonnen water omhoog gespoten. Omdat het kokend water is, komt er een enorme hoeveelheid waterdamp vrij, die tot in de verre omtrek zichtbaar is. Dit was de wolk, die wij vier dagen geleden in de verte zagen, toen wij naar de Old Faithful reden en dus te laat waren. De geiser komt weer tot rust en de menigte verlaat bijna onmiddellijk massaal het terrein. Wij gaan nog even een rondwandeling maken langs bronnen en geisers en genieten van de lichte zwavelwaterstofgeur, want het is eigenlijk helemaal niet vies, het is allemaal zo puur natuur. Het was de moeite waard om te wachten.

We rijden terug naar de camping. Onderweg weet ik een mannetjeselk te schieten. Het is fantastisch om dit dier in z’n natuurlijke omgeving waar te kunnen nemen. Het dier kijkt me lange tijd aan met die prachtige hertenogen en dat mooie voorjaarsgewei met fluweel bekleed. Ik schiet verscheidene foto’s en zie hoe het dier na enige tijd het bos weer ingaat.

Over fotograferen gesproken, gisteren wist ik een piepkleine grondeekhoorn van zo’n 10 cm afstand met de compactcamera van Els te schieten. Het diertje had niets door; ik was uiterst behoedzaam dichterbij geslopen met de camera in de aanslag. Het eekhoorntje fotografeerde ik beeldvullend. Toen schoot het weg. Een Texaan, die met een groot kanon aan het fotograferen was, spotte toen het diertje en wist er enkele foto’s van te maken. Ik liet hem het resultaat zien van onze kleine Canon en hij was stomverbaasd:”How the …… “ enz. Ik vertelde hem van mijn tactiek; hij vond het prachtig.

Aan het eind van de middag gaan we Yellowstone helaas uit. We zouden in principe hier weken kunnen doorbrengen. Het is ons opgevallen, dat we praktisch geen buitenlanders zijn tegengekomen, ook geen Nederlanders. De vele gehuurde campers worden praktisch alle bewoond door Amerikanen. Een uitzondering vormen de Japanners, want die zien we wel geregeld. De Amerikanen die we zien en spreken komen werkelijk uit alle delen van de V.S. Je hoort vele knauwvarianten van het Amerikaans. Sommigen praten net als John Wayne, knauwend en lijzig.

We doen wat boodschappen in West-Yellowstone en gaan naar de camping terug. Ik heb besloten dat het nu tijd voor een kampvuur is. Het lukt me met ‘fire-starters’ om het vuur vlot aan te krijgen, maar om het brandend te houden is een hele kunst. Ik moet geregeld met de KOA gids wapperen om zuurstof toe te voeren en het weer te laten vlammen. Het vuurtje is bepaald niet rookvrij en dat ene dikke blok had ik beter wat kleiner kunnen hakken, maar een bijl mee met vakantie gaat me wat te ver. Het fikkie steken betekent vooral veel blazen en veel rook en troep en in de rook zitten, want de bank is niet te verplaatsen.

Morgen een flinke tocht naar Great Falls in Montana, dus vroeg onder de wol.
Een echte lokale Amerikaanse rodeo!
Vrijdag, 12 juni 2009. Een wekker zetten hoeft niet als je maar op tijd gaat slapen. En inderdaad, even na zessen zijn we uit de veren en om kwart over zeven kunnen we vertrekken. Even daarvoor spreekt een Amerikaan mij aan als ik alles aan het los-koppelen ben. Hij had zich al dagen het hoofd gebroken over onze hobby. Met een zwaar zuidelijk accent vraagt hij:”Howdy” en na mijn tegengroet vraagt hij:”What is RoadBear? Are you bear collectors or something?” Als ik uitleg wat RoadBear is, wenst hij me een ‘nice day’ en loopt met zijn hond terug naar z’n motor home.

Wij hebben een weg uitgezocht die op de atlas als ‘scenic’ wordt aangeduid. Korter zal het over de vlakte van Montana gaan, maar de omgeving van de Interstate # 15 trekt ons aan. En de keus is prima. Wij hebben een gevarieerde en ontspannen reis over louter 4-baans snelweg. Dit klinkt misschien nogal tegenstrijdig: ontspannen en snelweg, maar de weg is vaak aan beide zijden gewoon leeg. Bijkomend voordeel, we dansen niet over de weg, zoals over de meeste Amerikaanse highways, maar de weg is van een behoorlijke kwaliteit. De landschappen wisselen voortdurend en we zien zelfs wild langs de kant.

We zien langs de weg reclameborden voor een rodeo in Great Falls. Het weer is geweldig geworden (26 graden Celcius in de schaduw) en als we op de camping zijn, vragen we wat door. De rodeo is bull-riding, dus het echte mannenwerk: op een woeste stier gaan zitten en dan de arena in en zien hoelang je op het beest blijft zit-ten. We gaan er om zes uur heen. Om zeven uur wordt de eerste stier losgelaten. We zijn benieuwd.

Het is nu kwart voor zeven en we staan weer aangesloten en al op de camping. Hoe zit dat nu? Wij rijden naar de opgegeven locatie. We besluiten niet bij de benzine-pomp, zoals aangeraden, vast in de voorverkoop plaatsbewijzen te kopen, maar gaan eerst maar eens kijken. Nou, dat is me het boerengedoe wel zeg. Wij kennen van filmpjes de rodeo in een stadion met marching bands vooraf en overdekte tribunes. Dit is iets anders. Er staan een paar primitieve houten tribunes, Het parkeren (en vooral het in het donker wegkomen) met een camper van 10 meter is niet echt lekker; een modderig terrein, waar vooral vuile 8-cilinder pick-ups worden gestald. We zien ook voornamelijk paarden. De beloofde bulls zullen er ongetwijfeld komen. Toiletten? Mwah, er zal ongetwijfeld iets geregeld zijn. En dan last but not least. Er verschijnen grote hoeveelheden donderkoppen aan de hemel. En onweer, wat wel degelijk voorspeld is (kans 40%) wil je niet meemaken op zo’n terrein. Kortom, dat was de eerste kennismaking met rodeo. Volgende keer beter.

We hadden ook nog het idee om de vijf in de gids genoemde watervallen te gaan bekijken. De Missouri stroomt door de stad en zou vijf keer met watervallen zo’n 150 meter totaal vallen. De campingeigenaresse zei, dat de watervallen (“falls”) hier de “five damned falls” worden genoemd, omdat ze niet echt zijn. Er staan vier dammen, die gebouwd zijn voor de witte steenkool. Het overtollige water stroomt dan over de dam heen, nou, dat hebben we al beter gezien dachten we zo. Ze zei dan ook, dat dit na Yellowstone en Yosemite een enorme afknapper zou zijn. We gaan dus niet kijken.

We zitten nu lekker in de avondzon voor de camper en buiken wat uit van de prima diepvriesmaaltijden, die we om vijf uur al hadden genuttigd, namelijk lekker gevulde wilde zalm en (verse) groenten erbij. Lekker en gemakkelijk.
Great Falls, crime city?
Zaterdag, 13 juni 2009. Een vreemd voorval later op de avond op de plek naast ons. Er komt een 45’ diesel-pusher naast ons staan. Volvette Amerikaan stapt uit en gromt een groet. Hij gaat het geval aansluiten op elektra, water en afvoer. De stekker van zijn aansluiting past niet en hij klooit een tijdje; snoer weer terug in de camper. Dan het water; wil ook niet lukken, lekken en spuiten. Mister wordt kwaad, sluit alles en rijdt weg. Wat schetst onze verbazing: vanmorgen stond hij er weer, niets van gemerkt. En dan ineens start de motor en de wagen verlaat de camping.

’s Nachts heb ik slecht geslapen. Om de haverklap gillende sirenes (hiiiiiiii, hiiiiiiii, hiiiiiii, hoei, hoei, hoei, hoei, hiiiiiiii, enz.) op de snelweg naast ons. Waar gaat dat heen; wie moeten ze oppakken? Ook de locomotieven van de superlange goederentreinen die maximaal zo’n 50 mph rijden laten zich ’s nachts horen (hoeoeoeoeoAhahahahah). Waarom dat is, weet ik niet. Om een uur of vijf komt een zwaar propellervrachtvliegtuig laag overvliegen om op het nabij gelegen vliegveld te landen. Els slaapt heerlijk door en ik ga maar eens even op de computer kijken. La-ter kruip ik er maar weer eens in; het blijft stil, maar ik slaap niet meer.

We vertrekken voor een relatief korte rit van ruim 200 km. We besluiten de snelweg al bij Vaughn te verlaten en gaat over de Highway # 89 naar het noorden. Na een aantal mooie bergtrajecten komen we in het heuvelachtige terrein van de ‘plains’. Veel vee in de wei. Als we ergens stoppen, houden werkelijk alle koeien op met gra-zen en staan ons aan te staren. Er komt ook maar af en toe iemand langs rijden en zo’n grote bak, die daar stil gaat staan…. dat is de gebeurtenis van de dag. In de verte zien we de prachtige skyline van de Rockies.

We rijden langs vele historische ‘landmarks’. Er staat dan een bord met een verhaal, bijvoorbeeld over de zwartvoetindianen en andere stammen die hier woonden en nog wonen. Over een ontmoeting met een ontdekkingsreiziger, waar ze de paarden en wapens van probeerden te stelen. Over de Canadezen, die de indianen van wapens voorzagen en over de dood van meer dan 500 indianen tijdens een barre winter, waarin de voedselvoorziening door de Amerikanen schromelijk te kort schoot. We zien ook in dorpen de schamele onderkomens van de huidige indianen. Dit hebben we eerder ook gezien. Je ziet direct aan de troep om het huis en de staat van de woningen, dat je in een reservaat bent; het is triest om vast te stellen, maar het is gewoon zo. Gemeld moet worden, dat uit de diverse stammen vele goede bestuurders en succesvolle mensen zijn voortgekomen en dat de verloederde woningen niet van de indianen zijn, die zich een stevige plaats in de Amerikaanse maatschappij hebben verworven.

Pas na vele lange mijlen door dit groene landschap doemen de machtige besneeuwde toppen van Glacier National Park op. We krijgen de keus tussen “Glacier East” en “St.-Mary”. Els adviseert om St.-Mary aan te houden. TomTom is het spoor bijster en roept voortdurend “omkeren indien mogelijk” of “rechts af” bij een karrenspoor. Ik besluit naar Glacier East te gaan. Dit is geen goede keus, want we komen op een steile pasweg die akelig smal is. Els kijkt direct in gapende afgronden zonder enige afscherming. Na een mijl of wat vinden we een uitwijkplaats, waar ik met enkele keren steken weet te draaien. Dus toch maar naar St.-Mary.

We komen aan bij de Oost Ingang van Glacier National Park en na de controle van mijn handtekening en het bekijken van een tien minuten durende film over het onderhoud van deze “Going-to-the-Sun Road” kunnen we doorrijden tot het bord dat aangeeft, dat 21’ de maximum lengte is om verder te gaan. Wij rijden met onze 32’ een prachtige weg langs een wonderschoon meer in een schitterend berglandschap en bij “Sun Point” kunnen we keren en terugrijden. De pas is dertien mijl verderop afgesloten voor alle verkeer vanwege de sneeuw. We horen, dat er zelfs explosieven voor nodig zijn geweest om delen sneeuwvrij te krijgen, zo veel sneeuw ligt er. We rijden naar de KOA Kampground en krijgen een mooie plaats met uitzicht op de besneeuwde bergen.

Onze buurman, een gepensioneerde ‘oilman’ uit Texas (“Bush country”) helpt mij met zijn gereedschap om de wateraansluiting goed aan te draaien. Het is een gezellige man, die met zijn vrouw 3 maanden rondreist door de VS en Canada t/m Jasper. Dat stuk doen wij dus ook. We staan zelfs in Banff en Jasper op dezelfde campgrounds. Onze andere buurman, ook met een 8-cilinder 4-wheeldrive met een 30’ 5th wheel erachter, is een gepensioneerde professor scheikunde van de universiteit van Columbia. Hij is met z’n vrouw 4 weken op pad en ja hoor, ook hij reist morgen af naar Banff en Jasper, om daarna via North en South Dakota terug te reizen naar Columbia. Met hem heb ik een dik uur staan praten bij ‘ons’ kampvuur, dat nu wel goed bleef branden, over de meest uiteenlopende zaken. Het is interessant de parallellen te zien tussen de moderne jonge generatie van de VS en Nederland. Zoveel verschilt dat helemaal niet; de mentaliteit is niet zo anders. Alleen vinden wij over het algemeen, dat we het beter doen. De VS is overigens druk doende – een beetje laat, dat wel – om laagbetaald werk weer terug te halen naar de VS. Het barst in bepaalde staten, zoals Georgia, N en S Carolina, Tennessee van de goedkope laag opgeleide werkeloze jongeren en dertigers, maar ook veertigers, die simpelweg ingezet kunnen worden voor productiewerkzaamheden, die nu allemaal uit de VS zijn verdwenen. Pak een willekeurig souvenir: made in China; een sweater: made in China; een speelgoedbeest: made in Mexico; een shirt van het prestigemerk Gant: made in Tur-key of India, ga zo maar door. Die fabrieken moeten meestal nu nog worden ge-bouwd. Het is werkelijk vijf voor twaalf.

Het kampvuur is nu voornamelijk gloeiende houtskool geworden; ideaal voor barbe-cue, maar om daar om half elf nog aan te beginnen, nee dus. Ik zit nog lekker met m’n winterjack in de vlammetjes te staren. De contouren van de bergen worden va-ger; het is op de camping doodstil en iedereen is terug in z’n hokje. Els is inmiddels ook klaar en de badkamer is vrij. Ik blus het kampvuur; tjee, wat een damp en gesis, het lijkt Yellowstone wel (dat in feite net zo werkt, maar dan in het groot). Verhaaltje in de computer tikken en naar bed.

Morgen gaan we de was weer doen en gaan we de bergen in om in een restaurant met uitzicht over bergen en meren te lunchen.
Een noodweer in het hooggebergte is altijd zwaarder
Zondag, 14 juni 2009. We zijn wat later opgestaan. Het weer is stralend. We gaan de was doen en voor het ontbijt doe ik de was in de machine. Na zo’n driekwartier ga ik weer naar de laundry en doe de was in de droger. Even later ligt alles schoon en opgevouwen in de kast. We gaan een ander deel van Glacier NP doen en vertrekken.

De weg is wonderschoon met zicht op het Sherburne Lake. Wel vol gaten en af en toe dirt road, dus langzaam vorderen we. Dan spotten we een overstekende kat. Een kat? Wel wat groot voor een kat. Een wolf? Wel wat klein en wat een staart! Het beest blijft enkele tientallen meters van ons af in de bebossing zitten en kijkt ons aan; poseert als het ware. We schieten er een paar prachtige foto’s van – wat later blijkt – een coyote. Het dier heeft een prachtige vosachtige staart, blijft nog even zitten en loopt dan rustig weg.

Later zien we een zwarte beer, wel wat ver voor een goede foto, maar de simpele gebeurtenis van het zien van een dier in het wild is al prachtig. Het dier is wel goed te zien, vrij ver weliswaar, maar toch!

Een Japanse vrouw kijkt angstig naar de lucht en voorspelt “thunderstorm”. Ik lach wat en maak een grapje, dat het onweer pas om vier uur komt, waarop ze opgelucht “thank you” zegt. Dan wordt het nog geen tien minuten later, als we buiten staan te telefoneren met Wouter, plotseling zwart en donder en bliksem laten zich gelden. Er worden daarboven enkele sluizen opgezet en het water komt met grote hoeveelheid naar beneden. We kunnen dan niet eens verder rijden en stoppen op een uitwijk-plaats samen met nog anderen. Het noodweer neemt in alle hevigheid toe en ik voel me wat beschaamd over mijn grapje naar de Japanse. We zien aan de overzijde van het meer het Many Glacier Hotel, waar we zullen lunchen. Na een tijdje gaan we weer voorzichtig rijden en dan wordt het allemaal nog heftiger. De weg verandert in een beek. We moeten een brug over naar het hotel, waar het woeste water maar net nog onderdoor kan.

Ik zet Els af vlak voor het hotel en ze kan naar binnen. Ik rij weer door schuin naar boven, waar een parkeerterrein is. Dan net om de bocht een laag viaduct zonder aanwijzing. Even krijg ik het warm, maar dan schat ik dat het moet kunnen en rijd door; gelukkig, ik blijk er toch ruim onderdoor te kunnen. Even later voeg ik me bij Els en gaan aan het raam van dit prachtige klassieke hotel uit 1915 zitten. Het is een hotel met net zo’n sfeer als het berghotel uit de thriller The Shining met Nicolson. In gedachte zie ik de barman die aan Nicholson voorstelt hetzelfde drankje te drinken als altijd.

Als Els de lobby binnenkomt, hangt er een typische ouderwetse sfeer. Tafels zijn nat en de bediening is ze met handdoeken aan het droogmaken. Ook bepaalde banken en stoelen zijn nat. Het blijkt, dat het hemelwater zo massaal naar benedenkomt, dat de glazen dakramen en het dak zelf niet voldoende waterdicht blijken te zijn en op verschillende plaatsen drupt het. Er is een groot openhaardvuur, waar gasten om-heen zitten en zich warmen. Er is nog een plaats vrij en Els gaat er lekker bij zitten. Dan kom ik binnen en we gaan op zoek naar het restaurant. Het is er vrij leeg en een raamtafel is gauw gevonden.

We eten best lekker, alleen weer zo onwijs volgeladen borden. De bediening is ui-terst charmant. Het meisje vindt het prachtig, dat we uit Nederland komen en wij zijn haar eerste “Europeans” dit jaar. Feit is, zoals ik al eerder schreef, dat we nauwelijks buitenlanders tegenkomen; het allemaal Amerikaans publiek.

Daarna lopen we nog wat door de lange gangen van het hotel en kijken naar de vele foto’s uit het begin van de twintigste eeuw. Ook in The Shining hingen die oude foto’s, je weet wel: foto’s met mensen die eruit zien als je ouders vroeger en je grootouders. Je ziet open auto’s, waar gasten mee aankomen en met z’n allen dan poseren voor het hotel. Je ziet een foto waar het hele personeel voor het hotel poseert, prachtig. Er zijn vele tientallen van die oude foto’s in de gangen. In de gift shop van het hotel is prachtig aardewerk te koop, echt kwaliteitsspul, maar mee-nemen is wel een probleem, we zitten al zo vol met al die winterkleren.

We gaan via de supermarkt weer terug naar de camping, gaan een paar partijtjes kaarten. Morgen maar een klein stukje rijden naar het Waterton National Park in Ca-nada. Wij vermoeden, dat het er rustig is, want iedereen die we spreken rijdt gelijk door naar Banff; Waterton is maar 85 mijl hiervandaan, maar wel in Canada en met een totaal verschillend aantal mogelijke tochtjes in het park aan de Canadese kant.
Op de camping omgeven door wild op de eigen plaats
Maandag, 15 juni 2009. Gisterenavond een stevig onweer op de camping. Het kampvuur hield dapper stand, maar moest uiteindelijk het onderspit delven. Met een gallon water heb ik het uit zijn lijden verlost! Lekker geslapen en vanmorgen naar Canada. Na een prachtige rit door de bergen van Glacier komen we bij de grens; dit is best spannend. Er staat een bord, dat we in de auto moeten wachten tot een ‘offi-cial’ zich meldt. We wachten en wachten en dan ineens een stevig geklop op de deur.

Ik doe open en de Canadese douanier wenst me goede morgen. Ik had de man he-lemaal niet gezien en laat hem binnen. Hij kijkt wat om zich heen, ziet de waterflessen in de gootsteen staan en vraagt of we ook tabak hebben. Nee dus. Ook vraagt hij of we vuurwapens bij ons hebben. Ook niet. Hij vraagt nog naar brandhout; dat hebben we gelukkig gisteren opgestookt. Hout mag je namelijk wel meenemen, maar geen hout, waar bast aan zit; men is bevreesd voor larven van torren. Hij vraagt of wij materialen hebben, die we in Canada achter willen laten en hoe lang we blijven. We noemen de datum waarop wij van Vancouver Island naar de USA varen; hij checkt de paspoorten en voorziet ze binnen van een stempel. We rijden Canada binnen!

We zijn geneigd om bij allerlei waarnemingen te menen, dat dit “typisch Canada” is, maar we weten er eigenlijk geen bal van en gaan maar gewoon kijken, luisteren, lezen en genieten. Al vrij snel zien we een hert naast de weg, typisch Canadees…. en er steekt een eekhoorn over, ook typisch. Nee dus, want die grens is natuurlijk maar kunstmatig en de natuur heeft geen stempel nodig om rond te stappen.

We rijden nu naar Waterton National Park. We betalen entree, want het systeem is hier anders dan in de VS en een jaarkaart (per persoon!) wordt veel te duur. We rij-den naar de Red Rock Canyon en genieten van een ongekend mooi stuk natuur. Het is net of een gigantische kloof met watervallen en woest stromende rivier op schaal is gebouwd; alles is overzichtelijk en wondermooi. Er zit een schilder rustig te schilderen en we lopen een eind langs de rivier. De dieprode kleur van Utah zien we weer even hier in Canada.

Op weg naar de Red Rock Canyon rijden we een smalle brug over met houten dek. De brug is tussen de beide railingen slechts 2,80 meter breed en de camper is 2,50 meter, dus goed sturen! Qua gewicht geen probleem; de brug is door het leger gebouwd. We rijden deze weg in op advies van een Nederlander uit Helmond, die 32 jaar geleden naar dit gebied emigreerde. Hij vertelt, dat er verderop een grote zwarte beer langs de weg loopt. De rangers, die op dat moment langs komen, bevestigen dit en adviseren vooral in de camper te blijven. We rijden een lange smalle weg die doodloopt op een natuurcamping. Verderop kunnen we via een lus door de camping terug; geen beer gezien. En dan ineens zien we hem op de weg voor ons scharrelen. Een zware grote beer, die ons volkomen negeert. We kunnen hem prachtig fotograferen vanuit onze veilige hoge positie; wat een ervaring.

We rijden daarna nog een andere route vanuit Waterton Lake. We eindigen bij een prachtig bergmeer op grote hoogte; het is stralend weer, maar toch behoorlijk fris. Het verste deel van dit meer is grondgebied van de VS; ook de machtige berg waar we tegenaan kijken. Overal ligt nog sneeuw en het lijkt een beetje op Zwitserland.

Wat opvalt is de slechte staat van onderhoud van de sanitaire voorzieningen. Terwijl in de nationale parken van de VS de toiletten allemaal brandschoon zijn en voorzien van alle gemakken, incl. zeep, papier, handdrogers en zelfs toiletbrildekjes (!), zijn de toiletten hier in een abominabele staat en deins je achteruit, als je de deur opendoet; wat een viezigheid!

Direct al aan de grens van Canada valt op, dat alles in het Engels en Frans wordt aangeven. Alle officiële borden zijn dus tweetalig. Probeer hier echter geen Frans te spreken, want niemand verstaat je en niemand spreekt Frans. Een Amerikaans echtpaar, dat zes maanden per jaar rondreist in de VS en Canada vertelt me, dat dit overal in Canada het geval is, behalve in het Franstalige gebied van de provincie Quebec; daar is alles uitsluitend in het Frans en kan je met Engels nergens terecht. Is dit niet merkwaardig? Ik spreek met een Canadees echtpaar, die kennissen hebben van Nederlandse afkomst. De man heet Vanhook (fonetisch: venhoek). Oorspronkelijk heette zijn grootvader “Van Hoek”, maar die heeft toen zijn naam geangliseerd. Ik legde het verschil uit tussen “Hoek”, d.i. “corner” of “angle”, maar zeker geen “hook”, hetgeen “haak” is in het Nederlands. Dit werd goed begrepen en zij zouden het hem wel eens uitleggen; leuk toch?

Dan gaan we naar de camping. We hadden gereserveerd, maar er is volop plaats. We horen een fel gepiep, zeer staccato overal om ons heen. Waar zijn die vogels dan? Het blijken geen vogels te zijn, maar Colombiaanse Grondeekhoorns (Columbian Ground Squirrels). Even denken we mollen te zien lopen op onze plaats, maar dan zien we dat deze eekhoorns hun holletjes in de grond hebben; ze zitten overal en zijn zeer actief. Ze hollen, springen en rollebollen met elkaar. Ze zitten vaak rechtop net als stokpaardjes en kijken uiterst pienter om zich heen. Als je ze te na komt, schieten ze direct weg in een holletje. Je wordt door de campingleiding gewaarschuwd ’s nachts alleen buiten te lopen met een zaklantaarn, om te voorkomen, dat je in een holletje trapt. We kunnen wel steeds naar ze blijven kijken, wat een koddige beestjes. Alleen al op onze plek zitten er wel vier. We zijn omringd door wilde dieren, nou ja, diertjes dan, maar in ieder geval wild.

Ook zijn hier veel wilde herten, die ook op de camping lopen en zich bepaald niet gedragen, zoals de tamme hertjes uit de Nederlandse hertenkampen. Ze kunnen zeer agressief zijn en je kan beter uit hun buurt blijven. Ik spreek een echtpaar uit
Edmonton (Canada), die gisteren nog door een hert werd aangevallen omdat ze hun hondje uitlieten en te dicht bij een hert kwamen, die in de bosjes naast de weg toevallig stond. We zagen herten gewoon in de tuin van een huis grazen. Maar het blijven wilde dieren.

’s Avonds eten we eenvoudig wat geroosterd brood met haring uit blik. We hebben tussen de middag namelijk heerlijk geluncht in een prachtig hotel met uitzicht op het Waterton Lake. Dit hotel - Prince of Wales – is zo’n typisch luxe berghotel. We hebben weer het geluk om een tafeltje aan het raam te krijgen (a table with a view) en krijgen een prima lunch met veel verse ingrediënten opgediend en dit alles voor een zeer redelijke prijs. Het hotel zien we later nog op afstand vanuit de bergen en ook vanaf onze plek op de camping.

Morgen gaan we naar Banff en vertrekken vroeg. De rit is minder dan 400 km maar gaat geheel door de bergen en is zeer veelbelovend.
Banff National Park: natuur en toeristen
Dinsdag, 16 juni 2009. We besluiten om zelf een toeristische route te plannen van Waterton naar Banff. Alle adviezen gaan naar de snelweg, die via Calgary loopt. We hebben niet zoveel zin in al dat verkeer en zijn ‘eigenwijs’. De weg loopt door vrij eenzame gebieden met een bord als “No Service Next 135 km”. Wel zaak om voldoende brandstof te hebben en zeker in de bergen….

De route is werkelijk prachtig en vooral ook rustig. Aan de linkerkant zien we voortdurend de machtige contouren van de Rocky Mountains. Het weer is prima en we schieten goed op. Het blijkt, dat de TomTom steeds probeert ons via Calgary te gaan leiden, hetgeen zeker 100 km langer is. Els blijft stug de eigen lijn op de kaart volgen en op zeker moment geeft TomTom het op en het volgende intrigerende scherm komt op:”KORTERE ROUTE GEVONDEN. ACCEPTEREN JA/NEE”. Als we dan op “JA” klikken, capituleert TomTom en doet net of zij het voor ons heeft bedacht.

We komen aan in Banff en betalen voor 2 personen 2 dagen verblijf. In Canada betaal je namelijk per persoon per dag. Dit loopt aardig op, maar de jaarkaart, zoals in de VS is nog veel duurder en voor ons niet economisch.

We gaan boodschappen doen bij Safeway – het parkeren met onze grote bak is een eitje – en nemen de ons bekende ‘Safeway Clubcard’, een soort AH bonuskaart. De winkel is prachtig en we kopen een hoop lekkere dingen. We wandelen wat door Banff. Wij gaan naar de Tunnel Mountain Campsite met full hook-ups en staan prachtig tussen bomen, maar ook met vrij uitzicht op de bergen.

Woensdag, 17 juni 2009. Het regent ’s morgens vroeg ‘cats and dogs’ en de weers-verwachting is conform. Als we ontbeten hebben, klaart het wat op en we gaan de prachtige scenic road 1a rijden, die van Banff naar Lake Louise gaat. Onderweg spotten we drie grazende mannetjeselken; prachtige dieren en vlakbij. Dan gaat het weer regenen en de uitzichten bieden nu niet veel spannends meer. De Bow River ligt aan onze linkerzijde in de diepte. De spoorlijn loopt mee. ’s Nachts en overdag horen we met grote regelmaat de loeiende hoorns van de locs.

We komen bij de Johnston Creek en ik ga naar de Lower Falls wandelen; 30 minuten staat er voor. Dit loopt toch wat uit, want die tijd geldt ongetwijfeld voor atleten. Maar ik wil toch de waterval zien en als ik er ben, blijkt deze zeer de moeite waard te zijn. Trouwens de hele route langs catwalks en smalle paden is fantastisch. Het kolkende water begeleidt je voortdurend met veel gebulder. Als ik terugga, begint het weer te regenen en ik loop steeds sneller en ben mooi op tijd terug. Opvallend is, dat de toeristen zich niets aantrekken van regen. Voorzien van adequate regenkleding en paraplus gaat iedereen vol goede moed op weg.

We passeren een monument, dat ons intrigeert. Een boerachtige figuur en een plaquette. Hierop staat dat hier een interneringskamp was van 1915 t/m 1917. Het was Canada’s eerste nationale interneringsoperatie tijdens de eerste wereldoorlog. Duizenden immigranten uit het Oostenrijks-Hongaarse rijk, de meesten uit de Oekraïne en een aantal zelfs al Canadees staatsburger, werden verdacht van sympathieën voor de vijand en gevangen gezet. Dit monument is opgericht ter herinnering aan hen, die in Castle Mountain Camp gevangen zaten. Terwijl wij net weer terug zijn in de camper komt een auto aangereden. Man en vrouw stappen uit. Vrouw houdt paraplu boven fotograferende man, die na de foto onmiddellijk omdraait en lopende op zijn camera het resultaat van de foto bekijkt. De vrouw blijft nog even staan en volgt daarna haar fotograaf. Ze stappen in de auto en rijden weg. Da’s nog eens effectief sightseeing!

We rijden door naar Lake Louise. Het plaatsje is een grote teleurstelling en bestaat uit een aantal giftshops, enkele quick food restaurants en een postkantoor. We eten fish ‘n’ chips in het Mountain Restaurant. De vis is OK, maar de chips zijn zo slecht en vet, dat we er niets van eten. Als de ober vraagt of alles heeft gesmaakt en naar de volle borden met smerige frites kijkt, vraag ik hem:”What do you think?” Hij rea-geert wat aarzelend en vervolgens vertel ik hem, dat er toch moed voor nodig is om zo iets op tafel te durven zetten. Hij biedt nieuwe frites aan, hetgeen we accepteren. Dit is iets minder smerig en ‘te eten’. We hebben een symbolische fooi bijgeschre-ven van $ 1,32. Dan rijden we naar Lake Louise zelf, het meer dus. Door de regen en de laaghangende bewolking is het landschap natuurlijk wat somber. Het hotel is ongelofelijk luxe. Er speelt een werkelijk beroemde harpiste bij de lunch en de hotelwinkels zijn super-de-luxe. Hier hadden we toch beter kunnen lunchen met prachtig uitzicht op het meer en ongetwijfeld betere kwaliteit voedsel.

Op de terugweg naar Banff, toch weer over de 1a, zien we onze eerste ‘moose’, de eland. Dit is een prachtig gezicht, zo’n enorm dier in het wild. Met de foto’s lukt het niet best; het beest verdwijnt snel in de wildernis. Wij snappen eigenlijk niet goed, hoe zo’n dier het redt tussen al die bomen en struiken met dat enorme gewei.

We hebben nu enkele dagen kunnen genieten van de Canadese nationale parken. Iets wat zeker opvalt is het veel commerciëlere karakter van deze parken t.o.v. de Amerikaanse parken. De laatste worden zo veel mogelijk natuurlijk gelaten. Een enkel hotel (in Yellowstone), wat gebouwen van de rangers en verder toiletgebouwen bij de verschillende uitzichtpunten. Hier in Canada zijn er dus complete zwaar toeristische dorpen, zoals Banff en Lake Louise met een massa toeristen. Ja, het is het drukst in de dorpen, gelukkig maar. Er zijn vele vakantiedorpen met bungalows, en vele restaurants met grote parkeerterreinen en eetzalen met Van der Valkachtige afmetingen. Verder loopt er eigenlijk maar één enkele weg door zo’n park met soms zijwegen (één in Banff en twee in Waterton), terwijl in de Amerikaanse parken vaak meer rondwegen (‘loops’) mogelijk zijn. Terwijl je in de V.S. vrij gemakkelijk vanaf de parkeerplaatsen de natuurlijke attracties kunt bewonderen, moet je in Canada vanaf deze parkeerplaatsen vaak een flink eind lopen, soms enkele kilometers met flink hoogteverschil. En het stereotiepe beeld van Canada, namelijk erg veel naaldbomen en daarachter machtige rotsachtige bergen, wordt voortdurend bevestigd en dat is prachtig.

Wat ook opvalt, is dat je over de Japanse en Zuid-Koreaanse toeristen werkelijk struikelt. Zeer veel winkels worden gerund door Japanners en er wordt bijvoorbeeld personeel gevraagd met een bordje zowel in het Engels als in het Japans. Kleding “Made in USA” of “Made in Canada” is bijna niet te vinden. Praktisch alle kleding, ook de typische Westernkleding, komt uit China en daarnaast uit India en Mexico. Dit viel ons in de VS ook al op. De kwaliteit is werkelijk zeer matig; het is gewoon goedkoop spul. Als je iets moois ziet en het is in de VS of Canada gemaakt, is de prijs uiteraard navenant. Een bodywarmer “Made in China” kost bijv. $ 42,-- en een mooie Western bodywarmer (met houthakkersvoering) kost $ 148,--. Een leren vest “Made in Mexico” kost $ 85,-- en handgemaakt door zwartvoetindianen $ 520,-- (in de uitverkoop voor $ 260,--, maar toch).

Op de camping hoeken we weer aan en gaan ons verheugen op de mooie reis van morgen, namelijk de beroemde Icefield Parkway richting Jasper, waar we weer twee nachten overnachten. Dit wordt de meest noordelijke plaats van onze rondreis.
De Gletscher van Al Gore.
Donderdag, 18 juni 2009. De dag begint veelbelovend met prachtige laaghangende wolken over de bergen gedrapeerd alsof een banketbakker een bruidstaart versiert. De weersverwachting is optimistisch en we vertrekken om 08:00 uur. Nog voor we de Highway # 1 bereiken, kunnen we alweer genieten van vier grazende elken langs de weg. Dan gaan we de 4-baans snelweg op richting Icefield Parkway en de eerste grote vrachtwagen haalt ons al weer in.

Dan gaat de Highway # 1 naar het westen en gaan we de Highway # 93 rijden, waar geen ‘commercial vehicles’ meer mogen rijden. We rijden Jasper National Park in en rijden langs de prachtige Bow River. De landschappen zijn overweldigend in de morgenzon met al die prachtige luchten. Er liggen grote hoeveelheden sneeuw op de bergen aan onze linkerzijde. De combinatie van de ontoegankelijke bergen met de enorm uitgestrekte naaldbossen en daaronder grote blauwgroene meren is zo Canada, althans wat wij ons van Canada hadden voorgesteld. Ook hier zien we toch grote aantallen dode bomen. We begrijpen nu goed, wat het gevaar hiervan is, behalve dan dat het niet mooi is. De oorzaak ligt bij insecten, vandaar de angst voor import van larven in de bast van brandhout. Het gevaar is verhoogd risico van bosbrand; dood hout brandt gemakkelijker en in no time staat alles in lichter laaie.

We maken de mooiste bergfoto’s ooit; het is richten en knippen. Mede door de luch-ten zijn ze spannend. We bezoeken de watervallen in de Mistaya River. Deze komt uiteindelijk uit in de Saskatchewan River, maar eerst dondert het water met onvoor-stelbaar geweld door een smalle diepe kloof. Het is adembenemend om vlakbij dit natuurgeweld te staan. De kracht van het water is enorm. We zien prachtige opaalkleurige meren met die typische kleur, die je altijd bij gletscherwater ziet.
 

© USA4ALL & Alexander en Els Verkuijl


Pagina printenHomeVorige pagina

 

Meer over USA4ALL

© 2009 USA4ALL. All rights reserved.