Een reis van 7 weken door 12 staten van de
Verenigde Staten en Canada mei, juni en juli 2009
De voorbereiding van de reis
Eind mei 2009 gaan we een reis maken door het Westen van de
Verenigde Staten en Canada. In 2003 hebben wij al eerder een tocht
door 6 staten in het Zuidwesten van de VS. gemaakt met als start- en
eindpunt Los Angeles.
Inmiddels is de toestemming van de U.S. Dep`t of Homeland Security
ook binnen, zodat we geen gedonder krijgen bij het binnengaan van de
V.S. Een pikant detail: de `toestemming` is geen garantie, dat je
ook echt naar binnen mag..... dat wordt beslist door de dienstdoende
veiligheidsfunctionaris, in San Francisco dus!
We maken de reis, net als onze vorige reis overigens, met een A32
Winnebago (32 voet lang) met een z.g. “Slide-Out”, zodat we - als we
weer eens ergens staan - met een simpele druk op de knop onze
woonruimte met bijna een meter verbreden. De ruimte met een
dergelijk busmodel is heerlijk, maar vooral het uitzicht tijdens het
rij-den. Iedere camper, ja, zelfs deze grote jongen, is in principe
geschikt voor 2 volwassenen.
De andere plaatsen zijn leuk om aan te eten of `s avonds een boek te
lezen, maar vooral niet om te rijden en - indien je langer bent dan
1.60 meter - ook niet om te slapen. Het is dan ook opvallend dat
Amerikanen meestal met z`n tweeën met een dergelijk grote RV rijden.
Men gaat vrolijk op pad met een 40 of zelfs 45 voeter + aangehandgen
personenauto of 4WD. De hele trein kan zo maar 20 meter zijn!
Wij hebben wel inmiddels de ervaring, dat alles boven de 32 voet
problemen kan opleveren op natuurcampings in de nationale parken; je
mag er eenvoudigweg niet op. Ook manoeuvreren is niet eenvoudig
vooral door de grote oversteek achter de achteras. De schade hoef je
niet eens op te lopen bij het draaien, voor- of achteruit, maar
zelfs op de gewone weg rijdend loop je mogelijk schade op als je
bijv. een steile inrit in moet rijden of bijv. een ferry oprijdt.
Bij de controle gaat men ook zeker even door de knieën voor dit
soort schaden.
We beginnen in San Francisco en blijven ook nog op maandag in deze
meest Europese Amerikaanse stad. Op dinsdag rijden we naar een
camping vlakbij Yosemite National Park, waar we de volgende morgen
heengaan.
Na King’s Canyon en Sequoia, waar we ons zullen vergapen aan de
gigantische bomen, rijden we via Barstow (met de `ghost town` Calico
en namaakcomboys...) naar Las Vegas, waar we midden in Down Town 2
nachten blijven staan en een show zullen bijwonen.
De volgende week zullen we overnachten in Bryce Canyon, Capital Reef
en Arches nationale parken. Ook Zion wordt niet vergeten. Al deze
parken `kennen` we al van onze vorige reis, maar ze liggen op de
route en het natuurschoon is zo ongekend, dat het opnieuw beleven
geen straf zal zijn. Wanneer `ken` je een gebied?
De derde week is de week van de Grand Teton en Yellowstone National
Park, waar we 4 dagen zullen blijven. Dit is het eerste nationale
park van de VS en we zullen ogen te kort komen, da’s zeker. Dan
verder via Great Falls, de grote watervallen in de Missouri River en
Glacier naar Canada, waar we de beroemde Icefield Parkway zullen
rijden. We verblijven in de nationale parken Waterton, Banff en
Jasper. Dwars door de Rocky Mountains via het park met 250
wa-tervallen, genaamd Wells Gray naar Vancouver en oversteken naar
Vancouver Island. Hier blijven we weer een aantal dagen om lekker
van de Canadese hoofdstad (en stad van de tuinen) Victoria te
genieten.
We steken dan over naar Olympic National Park in de VS, waar we
kennismaken met een echt regenwoud. De woeste natuur van Mount
Rainier, Mount St. Helen, Crater Lake en Lassen Volcanic zal een
grote tegenstelling vormen met de hectiek van San Francisco, waar we
aan het eind van bijna 7 weken terugkomen.
In San Francisco verblijven we nog een aantal nachten in een lekker
downtown hotel, het Orchard Garden Hotel in Bush Street naast de
ingang van China Town en zullen indien mogelijk de voormalige
gevangenis Alcatraz bezoeken. Als ze ons hopelijk vrijlaten zullen
we in de zomer weer voet op Nederlandse bodem zetten.
We zullen totaal bijna 10.000 wegkilometers afleggen, waarbij
ongeveer 3.500 liter benzine zal worden verstookt! Vele malen zullen
we 2 nachten (2x zelfs 3 nachten) ergens blijven. De
weekend-overnachtingen en de overnachtingen middenin de nationale
parken zijn inmiddels allemaal gereserveerd en betaald. We
overnachten op 20 campings met full hook-up (elektrische
aansluiting, wateraanvoer en afvoer van afvalwater) en 9
natuurcampings zonder enige voorzieningen. Dit noemt men ook wel dry
camping. Ook een aantal campings in het begin van het hoogseizoen
zijn vastgelegd, om geen risico te lopen. Hotels zijn inmiddels alle
gereserveerd, evenals de beide overtochten met de ferry`s naar
Vancouver Island en daarna naar Olympic. Eigenlijk zijn we zo`n
beetje klaar met de organisatie.
R E A D Y F O R T A K E - O F F ! ! !
De laatste dagen thuis
Alles is geregeld en we zijn er helemaal klaar voor…. maar dan
hebben bepaalde virussen met onze lijven andere plannen en proberen
ze dus de hele reis te frustre-ren.
Wat is er allemaal gebeurd. Vorige week zo rond 11 mei krijg ik
keelpijn en niet een beetje, maar whóóóóó, pijn met slikken, enz.
enz., maar…… geen verhoging geluk-kig. Enfin, het is nog bijna 2
weken en we maken ons eigenlijk geen zorgen. Toch maar even naar
onze huisarts voor alle zekerheid. Deze constateert een virale
keel-ontsteking, die dus vanzelf overgaat met een dag of wat en waar
geen medicijnen tegen zijn; geduld dus. En inderdaad, na 4 dagen is
alles weer voorbij.
Vrijdagavond nog een gezellig dineetje aangericht met Henk en Foppo.
Lekker gegeten en oergezellig. Speciaal voor Henk had ik gezorgd
voor rib-eye. Eerst aanbakken en daarna op de grillplaat. Oei, wat
een rook! Niet alleen de hele keuken stond vol rook, maar alle
rookmelders in het huis (ja, ook op de zolder) gingen af, terwijl de
afzuiging op 100% stond (700 kuub per uur notabene). Enfin, de rook
trok op en de rib-eye smaakte echt geweldig. Lekker 3 chocolades ijs
(Hertog) toe met verse aardbeien en espresso na.
Dan komt de ‘day-after’. Els wordt wakker met keelpijn; maar ze
heeft ook verhoging erbij en dat had ik niet. Verder spierpijn,
hoofdpijn, kaakpijn, enz. Nu is het nog maar een week voor vertrek
en dat komt dus niet echt goed uit. Uiteraard gebeurt zoiets in het
weekend! Zondag loopt de koorts verder op en de weekend arts
adviseert paracetamol. Deze werkt zowaar en de koorts zakt een halve
graad.
Maandagochtend heeft Els echter bijna 39 graden koorts en dat is
toch wat veel voor ’s morgens lijkt ons. Dus zit Els witjes en
gammel om half elf bij de huisarts, die haar zorgvuldig onder¬zoekt
en beluistert. Het is dus echt een virale aandoening, waar dus niets
aan te doen is. Hij is echter optimistisch en verwacht dat het vlot
overgaat. Wat schetst onze verbazing: gisteren is er slechts nog een
beetje verhoging en woensdag zal Els weer opstaan.
Inmiddels ben ik wel doorgegaan met koffers pakken. Nog wat kleren
van Els en dan zijn we er helemaal klaar voor.
We mogen 4 koffers meenemen van max. 23 kg elk. Dat lijkt veel (en
IS ook veel), maar toch wordt het nog puzzelen om a) iedere koffer
beneden de 23 kg te houden en b) toch alles mee te nemen voor 7
weken in omgevingen van plus 40 graden (Las Vegas) tot minus 5
graden `s nachts (Jasper), terwijl we ook moeten rekenen op flinke
regendagen (vooral in Washington en Oregon). Dus petten, T-shirts,
truien, regenkleding, maar ook winterjassen compleet met dassen en
handschoenen.
Die klimaatsverschillen zijn vanaf maandag al zichtbaar. In San
Francisco is het dan wat mistig en maximaal 18 graden Celcius. In
Mariposa, enkele tientallen kilometers oostelijk wordt het maandag
e.v. 29 graden! We denken hierbij aan het beroemde citaat van Ernest
Hemingway in 1937:"The coldest winter I ever spent was a summer in
San Francisco." Vandaar, dat we dinsdag richting warmte gaan.
Zondagmorgen om half zeven staat de Schipholtaxi voor de deur die
ons linea recta naar deur E van vertrekhal 2 zal brengen. Hier staat
de assistent klaar van de lucht-haven, die ons naar de incheckbalie
#11 zal begeleiden.
De heenreis, langer dan verwacht….
Zondag 24 mei 2009. De wekker staat op half vijf, maar om een uur of
vier zijn we allebei klaarwakken en tegen half vijf staan we maar
op. Er spookt toch van alles door je hoofd, zo van heb je dit gedaan
en dat al geregeld. Wij hadden dus ’s avonds nog gedacht, dat we het
met de taxi perfect hadden geregeld, nee dus…. Het bleek ’s avonds,
dat er een taxi was besteld voor 24 mei om half zeven ’s morgens,
maar dan in 2010! Gelukkig werd alles door Connexxion prima opgelost
en men garan-deerde ons een taxibusje om half zeven. Om kwart over
zes maar eens even buiten kijken en ja hoor, daar reed een taxibus
de Zeebies in, aan de andere kant. Na enig gesticuleren begreep de
chauffeur, dat hij beter om kon rijden en even later maakten we
kennis met Ton. De oud-vertegenwoordiger was maar op de taxi gegaan,
toen het bedrijf waarvoor hij grenen meubelen verkocht op de fles
ging en hij nergens meer aan de bak kwam. Een aardige man, waar we
de vijf kwartier naar Schiphol ontspannen mee door kwamen.
Op Schiphol kwam de caddy assistent snel opdraven en we werden vlot
dwars door de rijen wachtenden geloodst. Dat automatisch inchecken
is best even lastig, vooral door de onverwachte vragen, zoals de
postcode en het adres van je eerste Ameri-kaanse hotel. Gelukkig
hadden we dit allemaal paraat en het koffers afgeven kon beginnen.
Onze 4 koffers bleven keurig binnen de marge en wogen elk ongeveer
22,5 kg. De security check wordt op Schiphol niet meer algemeen
uitgevoerd maar per gate. De onvermijdelijke mooie whisk(e)y werd
gekocht (ook ‘whiskey’, want er is ook Jack Daniel’s). Wat
rondslenteren en op naar gate E24. Na de security check loopt de
aangekondigde vertraging van 20 minuten verder uit. De hele crew
komt namelijk weer terug en we krijgen te horen, dat het vliegtuig
nog niet schoon is. Uit-eindelijk vertrekken we met 30 minuten
vertraging. Volgens de verwachting komen we rond 13:00 uur
plaatselijke tijd aan.
In het vliegtuig maken we kennen met een alleraardigst echtpaar, die
op de stoelen voor ons zitten. Ze komen uit Eindhoven. De man heeft
tot zijn 55ste bij Philips ge-werkt en is nu jaar thuis na een
uiterste aantrekkelijk voorstel van ene mijnheer Tim-mer. Hun zoon
woont in California en werkt als chipontwerper in Silicon Valley.
Hun dochter woont dichterbij en is chemisch ingenieur; ze werkt bij
DSM. Zij is dol op reizen en trekken; hij niet zo.
Als we over Groenland vliegen is het uitzicht fenomenaal. Onder een
strak blauwe hemel zien we bergen, sneeuw, gletschers en ijsbergen.
Het eten aan boord is in-middels geserveerd en is in Afrikaanse
stijl. We eten een couscous salade, beef Bobotie met gele
basmatirijst met rode peper en mango chutney. Het toetje is ook niet
te versmaden, namelijk een mousse van passievruchten. Ik drink er
een lekker glaasje Zuid Afrikaanse Merlot bij en het smaakt ons
goed. Na het diner wordt koffie en thee aangeboden met cognac of
liqueur. Wij laten de sterke drankjes toch maar even voorbijgaan. We
verbazen ons over het metalen bestek. De stewardess vertelt ons, dat
dit afgelopen is en men nog uitsluitend plastic bestek zal geven.
We zitten overigens prima en beschikken over 3 stoelen met z’n
tweeën. Als ik dit schrijf hebben we nog 3,5 uur voor de boeg, dus
het schiet lekker op. We lezen wat, we slapen wat, we lopen wat om
de stramme spieren soepel te houden. Wat wel opvalt is het niet
geven van ‘luchtgymastiek’. Toen we in 2003 naar L.A. vlogen werd
dit een aantal keren gedaan.
We hebben de douaneformulieren ingevuld en zullen straks hopelijk
vlot doorkunnen. Een uurtje voordat we landen, vertelt de purser,
dat de gegevens, die we allemaal al hadden doorgegeven via internet,
opnieuw moeten invullen om toelating tot de VS te krijgen. Het
computersysteem blijkt nog niet helemaal goed te werken, dus zit
iedereen ijverig te pennen (met behoorlijk vermoeide gezichten).
Op het scherm zien we, dat we om 13:02 uur zullen aankomen, aardig
op schema dus. Maar dan meldt de gezagvoerder, dat hij tot zijn
spijt te horen krijgt, dat we van-wege grote drukte niet terecht
kunnen en we 20 minuten een extra rondje maken. Dit wordt
uiteindelijk een vol half uur. Als we landen gaan we vervolgens weer
tot spijt van de gezagvoerder een minuut of tien stilstaan, omdat de
gate nog is bezet door een ander vliegtuig. Dan kunnen we eindelijk
het vliegtuig uit. De caddy-hulpen staan al klaar aan het begin van
de slurf. Na de vlot lopende douaneforma-liteiten te hebben
afgewerkt, kunnen we onze koffers oppikken. De temperatuur buiten is
afschuwelijk. Het is zwaarbewolkt en slechts 10 graden met een dunne
wind. Het wachten is op de hotelshuttle en geloof het of niet, we
wachten 50 minuten tot hij eindelijk voorrijdt. Ik heb dan tot 2x
toe gebeld en kreeg iedere keer de verzekering, dat de bus onderweg
was. In onze hotelkamer van de Red Roof Inn neem ik direct een warm
bad en we gaan wat suffen op bed. Om een uur of zeven gaan we wat
eten en dan vroeg naar bed. De weersvooruitzichten zijn slecht: koud
en guur. Hemingway heeft het goed verwoord destijds; het lijkt wel
winter.
We eten erg Amerikaans in een typisch Amerikaans restaurant, net
zo’n type inrich-ting als in de cultfilm ‘Pulp Fiction’. Ik bestel
Salt ’N Pepper Chicken Breast met friet-jes en (rauwe) groente. Els
eet een gevulde omelet met spinazie en champignons. Het is allemaal
best lekker, in ieder geval heel wat beter dan het laatste hapje,
dat KLM ons durfde te serveren; dat smaakte echt nergens naar.
Inmiddels weer terug op de prima kamer worden we niet vrolijk van
het Weather Channel, waar het grootste deel van de VS blijkt te
zuchten onder ‘very heavy rain’ en ‘high winds’, zelfs met sneeuw in
de hogere delen. We zien ‘unusual’ beelden van overstromingen, maar
ook van blushelikopters, die druk grote bosbranden bij LA aan het
blussen zijn. Kortom, we mogen hopen, dat het gauw beter wordt.
Het is nu een uur of negen ’s avonds en we gaan eens lekker slapen.
Morgen een nieuwe dag met nieuwe kansen.
San Francisco, een eerste kennismaking
Maandag 25 mei 2009. We zijn gisterenavond snel in slaap gevallen op
een heerlijk ruim bed. Om een uur of drie word ik wakker; Els slaapt
als een roos. Ik forceer me-zelf om in bed te blijven liggen en me
te ontspannen. Wel zet ik geheel op de tast de airco iets koeler,
want het is behoorlijk warm in de kamer. Het lukt om weer in slaap
te komen en om een uur of half zeven wordt het moeilijker om in bed
te blijven. Dan wordt Els ook wakker en om een uur of acht gaan we
op z’n Amerikaans ontbijten. De grote verrassing is het weer.
Gisteren een grote ellende en nu het is onbewolkt!
Els ontbijt met geroosterd brood, 2 gekookte eieren en uitgebakken
bacon. Het ge-roosterd brood was helemaal zacht en leek meer op
wentelteefjes. Een klont boter erop en honing erover gieten en het
geheel smaakt best. Ik nam hetzelfde, maar dan met gebakken eieren.
Als je iets bestelt krijg je geheid voor ieder onderdeel een vraag
van de waitress, hoe je het wilt. Mijn eieren bestelde ik ‘easy’,
dat wil zeggen: met een hele dooier. Door gewoon uit te slapen en zo
snel mogelijk het locale ritme op te pakken, heb je het minste last
van jet lag. En we maken ons dan ook klaar voor een bezoek aan
downtown San Francisco.
Met de BART (het locale vervoerssysteem van de Bay Area) gaan we
naar Union Square. We komen aan in een stralend en zomers San
Francisco, maar wel een dun windje, dat over de koude oceaan het
land inwaait. We maken een rondtocht met de bekende hop-on hop-off
dubbeldekker en krijgen zo een spoedcursus San Francisco.
We lunchen midden op Union Square en zijn getuige van een arrestatie
van een vreemde figuur. Met een overmacht van vijf agenten (van die
types met spiegelende zonnebrillen) wordt de man in de boeien
geslagen en afgevoerd. We zitten heerlijk in de voorjaarszon met in
de verte een virtuoze trompetmusicus, compleet met een drummer, bas
en keyboard. Iets wat ons ook opviel was het rookverbod voor een
compleet plein. Dit betekent dat op Union Square niet mag worden
gerookt. Om een uur of vier weer terug met BART en hotelshuttle. We
zijn niet eens zo erg moe. Straks weer op z’n Amerikaans dineren en
op tijd naar bed. Morgen om acht uur staat de shuttle van Road Bear
klaar en gaan de rondreis echt beginnen.
Griezelig, zo precies op tijd…
Dinsdag 26 mei 2009. Road Bear zal ons tussen acht en half negen
ophalen. We moeten natuurlijk dan wel klaarzitten in de lounge van
het hotel. Terwijl we de spullen inpakken zo om een uur zeven, zien
we op het SF Bay News dat er in de vroege morgen een schietpartij
heeft plaatsgevonden plus een originele Amerikaanse ‘pursuit’ op de
freeway en natuurlijk precies de snelweg waar Road Bear over zal
moeten richting Burlingame, waar ons hotel staat. Vanuit de
helikopter van het nieuws laat men files zien van tientallen mijlen.
Enfin, je wil het lot niet tarten en na wederom een stevig
Amerikaans ontbijt zitten we dus precies om 08:00 uur in de lobby
met al onze bagage. Ik wil net nog even wat gaan internetten en ja
hoor, daar rijdt klokslag acht uur de wagen van Road Bear voor de
deur. Alles wordt vlot ingeladen en na nog even 2 hotels te doen,
waar nog eens zes Nederlanders worden opgehaald rijden we vlot naar
Road Bear. De afhandeling door Aldie is professioneel en efficiënt
en beduidend beter dan in 2003 in LA. Al met al rijden we tegen half
elf weg om boodschappen te gaan doen.
We hebben de Wal*Mart in gedachten, maar daar zijn geen
levensmiddelen te koop, behalve als er “Super” voor de naam Wal*Mart
is toegevoegd. We komen terecht bij de FoodMaxx, een echte
discounter. De zaak is enorm groot en er staat veel door elkaar. Wij
(en ook de Nederlanders, die we uiteraard hier ook tegenkomen)
worden stapelgek van de enorme keus, maar vooral ook van niet kunnen
vinden van de spullen, die we nodig hebben. Ze doen hier gelukkig
niet aan klantenkaarten en op de bon staat het voordeel dat je hebt
geboekt door bij FoodMaxx inkopen te doen, namelijk 23%. We hebben
voor $ 123,-- netto ingekocht.
Op naar Groveland, waar we zullen overnachten op de Yosemite Lakes
NACO camping. De TomTom doet haar werk ogenschijnlijk goed, maar als
we het scherm aanraken (het heet ook een ‘touch screen’), is de
bestemming Groveland ongemerkt veranderd in Barstow. TomTom doet
haar werk echt goed, want we worden gewoon over de HWY # 99 richting
Barstow geleid. We komen daar toch wel wat laat achter en besluiten
dus TomTom de juiste bestemming opnieuw in te geven. Gelukkig weet
‘ze’ een weg binnendoor, zodat we niet teveel tijd zullen verliezen.
De weg binnendoor gaat dwars door het prachtige Mariposa gebied. De
weg is nauwelijks 3 meter breed (camper is 2,55 meter!) en geregeld
passeren we wildroosters (“Texas Gates”) in de weg, die nog smaller
zijn. Volgens de zwaar getatoeëerde local moet het echter kunnen en
we rijden de smalle bochtige weg met een supersteile afdaling (in
eerste versnelling afremmen op de motor en dan toch nog geregeld
bijremmen) tot de HWY # 120 van San Francisco naar Yosemity.
In Groveland aangekomen is de camping nergens te bekennen. Een
bijzonder aardige dame die we bij een resort tegenkomen besluit na
kort overleg met haar man ons naar een camping in de buurt te
escorteren.
Dit blijkt een natuurcamping te zijn in een prachtig natuurgebied,
waar hier en daar iemand staat. We hebben er tot onze verbazing en
vreugde toch water en elektra. Inchecken gaat op een ons bekende
wijze: geld in een enveloppe in een stalen kastje en de slip op een
paaltje op de plek van onze keuze. Op een korte wandeling heb ik een
eerste ‘natuurervaring’. Ik kende natuurlijk Woody Woodpecker van
Walt Disney, maar in het wild een stel spechten aan het werk zien is
toch wel wat anders. Op twee meter afstand van een (dode) boom komen
twee spechten aanvliegen, die verwoed aan het hakken gaan op de
boom. Ik sta doodstil en ademloos toe te kijken en herken de specht
onmiddellijk van de tekenfilms; wat een koddige vogels.
Terug in de camper gaan we lekker eten en drink ik een heerlijk blik
ijskoude Bu-dweiser Lager. De koffers worden uitgepakt en verdeeld
over de vele kasten in de camper. Het valt ons op, dat er weliswaar
veel ruimte is, maar weinig raffinement, zoals we bijvoorbeeld
gewend zijn van de Duitse Flair campers, waar over ieder vak-je en
kastje is nagedacht. Maar goed, Amerikaans is dan ook vaak synoniem
voor overdadig en groot. Denk maar aan de motor van de camper, de 10
cilinder Ford van 8 liter. Zoals de Amerikanen toch nog steeds
denken: “There is no substitute for cubic inches”.
Morgen naar Yosemite, hetgeen nog maar een uurtje rijden is. Hier
wordt echt ‘dry camping’ gedaan, omdat er geen stroom of water is.
Ook geen douches, eigenlijk alleen maar puur natuur. We gaan tegen
half elf slapen, hetgeen niet gek is, omdat dit toch aangeeft, dat
we redelijk goed met de 9 uur tijdverschil omgaan.
Grote opwinding om een beer….
Woensdag 27 mei. Vanmorgen lekker vroeg vertrekken na een ontbijt
met toast en jam. Eerst nog even naar een leuke specht kijken (en
vooral ook luisteren), die weer vlak voor mijn neus op een tak zit
te rammen. Op naar Yosemite, maar eerst even boodschappen doen bij
een kleine supermarkt in Groveland. Daarna door naar Yo-semite, waar
we de Golden Eagle pas kopen. De ranger (vrouw) bijt mij toe, dat
uitsluitend cash kan worden betaald, hetgeen ik dan ook doe. Later
komen we vele andere rangers tegen, die juist buitengewoon aardig en
communicatief zijn.
Enfin, de hernieuwde kennismaking (sinds 2003) met Yosemite is
wederom overweldigend; wat een kleurschakering, wat een woestheid
van de natuur en wat een rust….. tot er plotseling een file ontstaat
met auto’s schuin over de weg en mensen die uit hun gewoon op de weg
tot stilstand gebrachte voertuig stappen met fototoestellen en
verrekijkers. Wat is er nu helemaal aan de hand, dat het verkeer
volkomen wordt lamgelegd? Een beer! Zegge en schrijve één bruine
beer (bruine vacht, maar het is een zwarte beer) staat tussen de
bomen op een honderdvijftig meter lekker plantjes te verorberen. Dit
is de andere kant van ‘wild life spotting’; je bent blijkbaar zelden
alleen als er een beest wordt gezien. Dit tafereel herhaalt zich
vandaag nog twee keer; eerst een prachtige zwarte beer, die gezellig
loopt te scharrelen op een honderd meter en daarna waarschijnlijk
nog een beer, maar we zien ervan af om de camper te stoppen en ons
bij de opgewonden schare te voegen om naar een beer op afstand te
kijken. Een hertje, dat twintig meter na het bord “kijk uit herten”
langs de weg staat vertedert meer. Ook de grijze grondeekhoorns in
Yosemite Village vinden we weer behoorlijk leuk.
Dan willen we eigenlijk wel naar de camping en we rijden dus gewoon
weer helemaal verkeerd en komen bij de verkeerde parkuitgang
terecht. Een stukje uitleg van de aardige (vrouwelijke) ranger helpt
en ondanks dat TomTom voortdurend op een smalle pasweg (die dus
gewoon de goede route blijkt te zijn) “omkeren indien mogelijk”
roept, weten we op de camping aan te komen. De camping blijkt dus
inderdaad volledig te zijn volgeboekt en onze naam staat keurig op
een lijst die aan het rangerhokje bij de ingang hangt. De ranger wil
graag van mij horen, hoe je in hemelsnaam “Verkuijl” uitspreekt en
herhaalt mijn naam dan diverse malen. We zijn blij dat we op onze
plek stonden.
Overal om ons heen stoken de campinggasten flinke vuren, waar vaak
vlees op wordt geroosterd (pardon: geroosterd? Zeg liever verbrand!
Het lijkt wel een crematorium). De Amerikanen zijn dol op dit soort
eten. Flink wat saus erop en bikken maar.
Morgen vroeg vertrekken we naar de grote Sequoia’s en naar de Kings
Canyon via Fresno. We hopen daar in de loop van de middag weer aan
te komen. Het weer is in ieder geval prachtig.
Dikke hoge bomen vangen veel wind
Donderdag, 28 mei 2009. We rijden weer dwars door Yosemite richting
Fresno. Het weer is fantastisch en we verheugen ons op de
gigantische sequoia bomen in het Sequoia National Park. De tocht
verloopt voorspoedig. Bij Fresno even een blok te ver, maar keren
bleek eenvoudig te zijn. Via de Hwy 180 rijden we de parken Kings
Canyon en Sequoia National Monument binnen.
Al snel zien we de grote redwoods. Veel schade door bosbranden. De
camping is uiteraard weer gereserveerd en is prachtig. Je staat met
vele anderen in pure natuur met stroomversnellingen om je heen en de
pieken van het hooggebergte omringen ons. Vanmorgen hebben we
benzine getankt; zo’n grote bak lust nogal wat. Ook hebben we water
ingenomen en zojuist op de camping Lodgepole de afvalwatertanks
geloosd. We kunnen er weer tegen.
Ik ontdek, dat de HWY # 198, die we morgen zullen rijden richting
het zuiden, ten zeerste wordt ontraden voor RV’s van meer dan 22’ en
onze RV is 32’; geen goed plan dus. We gaan morgenochtend eerst de
Sherman Tree bekijken, die wel goed bereikbaar is en dan keren we op
de parking om en rijden dezelfde weg van vanmiddag terug, om dan
langs de bergen naar het zuiden te rijden.
De HWY198 is een eindeloze reeks van haarspelden en steile
afdalingen, dus toch maar even niet riskeren.
Wel erg veel haarspeldbochten
Vrijdag, 29 mei 2009. We hebben erg genoten van de prachtige
Lodgepole Campground midden in het natuurpark Sequoia. We zagen ’s
avonds vlak voor onze neus een stel gaaien. Ze zijn wat kleiner dan
de Vlaamse gaai en heten Steller’s Jaybird. De kleur is prachtig
blauw en ze zijn zeer actief. Ook de eekhoorns waren weer gezellig
aan het rondhuppelen.
Overal crematoria; het echte barbecueën (op houtskool zonder open
vlammen) zie je eigenlijk niet. Maar ik moet toegeven, het zijn
allemaal echte die-hards, die seniors, die daar goed gekleed zelfs
met mutsen en wanten aan de invallende hooggebergtekou trotseren,
want we zaten daar wel op 2100 meter. Diezelfde seniors zijn in
trainingspakken om zeven uur alweer bezig om het buitenontbijt te
verzorgen. Er zijn ook crematoriumliefhebbers die om half acht ’s
morgens het vuur al weer laten oplaaien voor de worsten…aan het
ontbijt!
Zoals ik gisteren al schreef, zouden we vanmorgen de General Sherman
Tree gaan bekijken, daarna omkeren om niet over de gevaarlijke
ontraden HWY # 198 te hoeven rijden. Om half zeven staan we op en
maken het ontbijt klaar. Je mag de generator pas om acht uur
starten, dus brood roosteren is niet mogelijk. Dus ik eet mijn
bordje muesli en Els behelpt zich met wat toastjes met jam en
honing. Melk opwarmen au bain Marie gaat ook prima. Om acht uur zijn
we startklaar en we rijden naar de General Sherman Tree over de
Generals Highway.
We rijden tussen de sequoia’s door tot we het bord zien met
parkeerplaats voor de General Sherman Tree. Ik had tevoren al de
kaart bestudeerd en gezien, dat deze parkeerplaats op een mijl
afstand ligt van de boom. De Sherman Shuttle zou zeker dichterbij
komen en ja hoor, direct voor de boom zijn wel 15 parkeerplaatsen en
ruimte voor de shuttle (die pas om 10 uur gaat rijden). Brutaalweg
de camper parkeren en genieten! Deze boom is de grootste levende
boom ter wereld en ze is al 2.200 jaar oud. Ieder jaar produceert
deze boom evenveel nieuw hout als een normale boom van 18 meter
hoog. We lopen er rond, voelen en ervaren de giganten om ons heen en
voelen ons klein, erg klein.
We zijn alleen en het is ook nog erg stil; wat een prachtige
natuurervaring. Dan lo-pen we terug naar de camper en gaan dus de
weg terug, die we gisteren reden. Het kost ons een dik uur om het
park weer uit te komen en rijden dan de aanbevolen weg # 245. Op de
kaart lijkt deze weg mooi recht. Deze Dry Creek Road blijkt echter
te zijn voorzien van een schier ontelbaar aantal bochten en
haarspelden. Het verschil met de # 198 is wel, dat de afdalingen
minder steil zijn en de haarspelden voldoende breed voor onze
camper. Aan het begin staat een waarschuwing, dat de weg ongeschikt
is voor landbouwvoertuigen die langer dan 30 voet zijn…. Vooruit
maar, dan moet het met 32’ ook wel kunnen.
Het kan inderdaad en de weg is eenzaam en prachtig. We komen
urenlang een en-kele auto tegen en zien hier en daar in de verte een
boerenoptrekje. Dan wordt het allemaal wat vlakker en krijgen we een
wat weidser uitzicht op de High Sierra’s die we net hebben verlaten.
We rijden door onafzienbare sinaasappelplantages en dan begint het
weer behoorlijk drukker te worden. We rijden de HWY # 65, die
parallel loopt aan de HWY # 99, maar iets rustiger. Bij Bakersfield
zien we overal om ons heen jaknikkers; er zit dikke olie in de
grond. Uiteindelijk gaan we richting Mojave Desert en terwijl we wat
regen krijgen weten we de weg te vinden naar de KOA Camping in
Barstow (of all places…).
We zitten direct naast de drukke freeway Interstate # 15 van Los
Angeles naar Las Vegas. Barstow is dus helemaal niets. Woestijn om
ons heen en een kale, stoffige en ook nog dure KOA Camping. Morgen
slechts 160 mijlen naar Sin City, Las Ve-gas!
Las Vegas? pffffff….
Zaterdag, 30 mei 2009. We hebben allebei heerlijk uitgeslapen tot
half acht en gaan eerst wat huishoudelijk werk doen (de werkster
heeft dit weekend vrijaf genomen).
Zo tegen tienen gaan we de Interstate 15 op, de freeway van Los
Angeles naar Las Vegas. Het was vrijdag een gekkenhuis, vertelde
iemand, die vast op de camping woont, omdat hij in de olie-industrie
“in the middle of the desert” werkt. Hij komt uit New Jersey, woont
in Alaska en werkt dus nu een half jaar in de Mojave Desert.
Deze snelweg wordt algemeen beschreven als saai, druk en stressend.
Wij hebben dit toch heel anders ervaren. Wij vinden de weg eigenlijk
fascinerend qua landschap. Die drukte? Ach, we zijn wel wat gewend
en er wordt toch over het algemeen erg relaxed gereden. De maximum
snelheid is 70 mph en wij rijden lekker met een gangetje van 65 mph.
Voor trucks en auto’s met aanhanger is de maximum snelheid hier 55
mph. Het frappante is echter, dat we toch geregeld door zware
vrachtwagens worden ingehaald, die dus ruimschoots deze limiet
overschrijden. Het is des te opvallender, omdat het werkelijk barst
van de politie. Geregeld zie je automobilisten langs de kant van de
weg met een politiewagen van de Highway Patrol erachter met rode en
blauwe alarmlampen aan. Gelukkig krijgen wij zo’n auto met het “Pull
over please” uit de megafoon niet achter ons.
De woestijn links en rechts is zeer gevarieerd en bepaald niet saai.
Dan weer lijkt het opgespoten terrein, dan weer honderden Yoshua
trees al of niet gecombineerd met Yucca cactussen. Eigenlijk waren
er meer Yoshua trees dan in Yoshua Tree National Park bij Los
Angeles. Die waren wel wat groter. Na die eindeloze vlakten komen
dan woeste kale bergen, die opdoemen met een donkere dreiging. Het
landschap is onaards en doen denken aan Death Valley, waar we toch
op een 100 mijl langsrijden. De waarschuwingsborden liegen er niet
om: adviezen om de airco uit te zetten en in een lagere versnelling
te gaan rijden om oververhitting te voorkomen. O.K., er staat
geregeld een praatpaal langs de weg, maar echt lekker is het niet om
hier met pech langs de weg stil te komen staan.
Dan, over een pas van 4.000 voet zien we ineens Las Vegas opdoemen.
Als we dichterbij komen, herkennen we de grote namen, zoals het
Bellagio, MGM Grand, Luxor, Caesar’s Palace, enz. In de verte zien
we de Stratosphere Tower, die aan het begin van de Strip staat. Wij
moeten zijn in Downtown Las Vegas, het noorden dus. We kachelen over
de freeway met 60 mph en tellen samen met TomTom de afritten af. We
moeten afrit # 43 hebben. We rijden # 42 voorbij en ja hoor, het
bord verschijnt…… dat afrit # 43 is afgesloten! Shit happens, dus we
rijden door en TomTom past haar advies aan. We komen zowaar vlot in
Main Street aan, waar we moeten zijn dus, en verbazen ons over de
honderden tentjes, maar ook optrekjes van zeildoek, kartonnen dozen
en ander beschermd materiaal, waar duidelijk daklozen ‘wonen’. Je
houdt het echt niet voor mogelijk, hele dorpen langs de weg binnen
de bebouwde kom van Las Vegas North. Later vertelt een bewaker ons,
dat de meesten bewust kiezen voor dit bestaan en leven van bedelgeld
van “people like you”. Nooit iets geven, is zijn advies. Hij meent,
dat er banen genoeg te vinden zijn voor zeer laag loon. We zien
inderdaad later overal mannetjes, die niets anders doen dan peuken
en papiertjes opvegen en opruimen. Werkelijk overal is personeel en
ik garandeer je, tegen een hongerloon, maar ze hebben wel een baan.
Dan zien we ons hotel Main Street Station. Terwijl TomTom opgewekt
roept dat de bestemming is bereikt (goed zo Tommy!) hebben we nog
niet de RV parking gevonden. We manoeuvreren de camper de
parkeerplaats van het hotel in. Ik wil net de weg gaan vragen, als
een auto van Security voor ons stopt: “Can I help you, sir?”. Nou,
dat kan hij zeker en de (gewapende) bewaker van het hotel rijdt voor
ons uit naar de overkant; het Main Street Station complex is enorm
groot. Daar helpt hij ons met bellen naar de receptie, die vertellen
waar onze plek is. Deze plek is veel te klein en hij adviseert ons
plek # 181 te vragen, die voor ons perfect is. Hij biedt me een lift
aan naar de receptie (“You have to walk back, I’m afraid”). De plek
# 181 blijkt $ 3 duurder te zijn. Maar dan nog is de prijs
belachelijk laag, namelijk $ 17 per nacht voor full hook-up. De
camping is niet meer dan een geasfalteerde parkeerplaats met op
iedere plaats water, elektra en afvoer. De locatie is prachtig; op
enkele minuten lopen van alle casino’s van down-town Las Vegas. We
lopen naar Main Street Station Hotel en genieten van de werkelijk
prachtige inrichting; hier gaan we vanavond eten. Daarna 3 blokken
verder lopen we door naar de Fremont Street. Deze is geheel overdekt
en vanavond is het hier groot feest met een schitterende lichtshow,
die we gaan zien.
De RV camping wordt voortdurend bewaakt. Om de haverklap zien we een
gewapende bewaker, die zijn rondjes doet en iedere RV bekijkt. Ook
gaat hij steeds de ruimte met wasautomaten en de toiletruimten in.
We horen later, dat de bewaking 24 uur per dag is en er een ronde
per 5 tot 10 minuten plaatsvindt. Men is zeer alert op het leger
daklozen op enkele honderden meters afstand. “We’ll keep them off”,
vertelt een bewaker me later.
Het doet me denken aan de zombies die de shopping mall belagen in de
horrorfilm “Dawn Of The Dead”(2004). Als de kraan van onze plaats
blijkt te lekken en de be-waker net langs komt, vertel ik hem dat.
Onmiddellijk roept hij een onderhoudsman op en nog geen vijf minuten
later staat er een elektrische onderhoudswagen met 2 ‘engineers’ op
onze plek, die de lekkende kraan repareren.
Let wel, ‘engineer’ heeft echt niet de betekenis van het Nederlandse
‘ingenieur’. Je bent al ‘engineer’, als je een waterpomptang kan
vasthouden.
Dan gaan we eten in Main Street Station Hotel, waar ze een
huisbrouwerij hebben met een aantal heerlijke bieren, waar ik er
eentje (toe maar!) van neem. Els bestelt een Cheese Burger. Obama is
gek op Cheese Burgers, maar deze valt nogal tegen. De Filet Mignon
met wilde paddestoelen die ik bestel is wel heerlijk. We gaan terug
naar de camper en gaan wat uitrusten, om er vanavond bij te zijn.
Om half tien gaan we naar Fremont Street. Dit is eigenlijk het
‘oude’ Las Vegas; hier is het allemaal begonnen. Dit is de straat
met de Vegas Vic, de beroemde neon cowboy met de wippende sigaret.
Toen de grote hotels aan de strip werden gebouwd, raakte Fremont
Street in verval. In 2005 heeft men alles voortvarend aangepakt en
werd de hele Fremont Street overdekt. Het plafond is één groot
beeldscherm, dus van vele honderden meters. Hierop wordt dagelijks
een lichtshow gehouden vanaf 22:00 uur en dan op ieder heel uur. We
zien om 22:00 uur een gi-gantisch licht/geluid spel van Queen. Het
geluid is overal en het galmt niet. Dit is niet vast te leggen, zo
overweldigend is dit.
Ik zal proberen een beschrijving te geven. Om precies 22:00 uur gaan
alle lichten uit en je moet je voorstellen, dat Fremont Street een
zee van lichtreclames en flitsende lampen is. Exact op datzelfde
moment barst een gigantisch onweer los en donkere wolken jagen over
je heen en bliksemflitsen en donderslagen volgen elkaar op. De
ervaring is compleet; je verwacht ieder moment dat je drijfnat wordt
en je kruipt naar elkaar toe. Dan gaat het akoestisch geweld over
tot het bombastische “We will rock you” van Queen, compleet met live
voorstellingen van een uitvoering. Het publiek wordt extatisch en
danst en zingt mee. Dan gaat het over in “We are the champions” en
de show wordt steeds spectaculairder. Na 5 minuten gaat het weer
over naar “We will rock you” en met een donderend onweersgeweld is
de show ten einde. Het zijn maar 5 minuten geweest, maar je ervaart
het als een veel langer spektakel. Ja, dit is Las Vegas en we hebben
iets vergelijkbaars nog nooit meegemaakt.
Om 23:00 uur zien we het nog een keer, maar dan een show van KISS.
Tussentijds kijken en luisteren we naar coverbands, die muziek
spelen uit het jaar 1969, het the-ma van deze zomer. De kwaliteit is
werkelijk fantastisch en op allerlei plaatsen komen de vaak ons
bekende nummers langs. Bij de laatste show worden acrobatische
luchttoeren door mooie meiden uitgevoerd. Het publiek is overal
enthousiast en de sfeer is top; everybody happy? Yeah!
We kunnen natuurlijk de halve nacht doorhalen, het gaat maar door,
het gaat maar door. Maar dan zijn we absoluut de volgende dag(en)
gesloopt, dus energie verdelen en morgen is er weer een dag en dan
nog wel Pinksteren, dus… ontbijt met een eitje.
Pinksteren in Las Vegas
De luxe van een tweede Pinksterdag kent men in de VS niet en dus
moet alles op Pinksterzondag gebeuren. We gaan om een uur of elf
naar Main Street Station Hotel voor een champagne brunch. Wat we
voorgeschoteld krijgen is werkelijk fan-tastisch. Voedsel van ‘coast
to coast’, met als drankje zoveel Californische champagne als je
maar wenst.
Eigenlijk is het beter aan te geven aan de ober, dat je geen
champagne meer wenst, want iedere keer als je de tafel even hebt
verlaten, heeft hij de grote glazen alweer tot de rand met champagne
bijgevuld. Het is volkomen onmogelijk om alles te proberen en we
zijn beiden uiterst voorzichtig met opscheppen. Alle soorten voedsel
is er te vinden, Italiaans, Mexicaans, Amerikaans, Chinees, enz.,
maar dan wel veel bijzondere gerechten, die we niet kennen. We eten
vruchten, die we niet kennen en bepaalde loempia-achtige gerechten
met een zachtzure aardbeiensaus. Ondanks, dat we steeds extreem
kleine beetjes nemen en veel gerechtjes samen eten, begint het toch
aardig te vullen. De prijs van deze overdadige brunch is
onwaarschijnlijk laag, namelijk $ 23 voor twee personen incl. alle
gerechten en alle drankjes. Kortom, goeie tent, dat Main Street
Station Hotel! Dan wandelen we door de zinderende hitte naar de
camper om wat te rusten.
Zo tegen half vier weer op pad. We gaan te voet naar de Stratosphere
Tower lopen. Dit is een kilometer of vijf en dus best pittig in de
zinderende hitte. We zien een andere kant van Las Vegas, van kleine
neringen, die al of niet nog functioneren, van vele kantoortjes van
Bail Bonds (ze regelen de borgsom bij arrestatie tegen een leuke
beloning), allerlei zaken met tweedehands spullen, bijv. oude
casinomeubilair, een dichtgetimmerde voormalige
ongediertebestrijdingszaak, vrij onduidelijke zaakjes met
rondhangende figuren, die ons vriendelijk groeten, kortom nu niet
een bepaald toeristische route. Na een uur lopen komen we bij de
toren, die maar liefst ruim 300 meter hoog is. We gaan met de lift
naar het observatiedek en later een verdieping hoger (verdieping #
109) en genieten van het uitzicht.
Terug naar beneden en lopen naar de Strip. We lopen de volle zes
kilometer en doen een aantal bekende zaken aan, waaronder The
Venetian, The Bellagio en Ceasar’s Palace. Het is allemaal weer zeer
overdonderend en ontzettend druk. De fonteinen van het Bellagio
geven weer hun fascinerende show. We gaan met de bus terug naar
Downtown en lopen door Fremont Street naar de parkeerplaats van de
campers. We kijken terug op een drukke dag met vele indrukken en
leuke ontmoetingen. Morgen vroeg op voor een flinke tocht naar Bryce
Canyon National Park.
Rock Stars van Utah
Maandag, 1 juni 2009. Terwijl we via het trieste Las Vegas North (“Welcome
to Las Vegas North” staat op een bord) de hectiek van deze
miljoenenstad verlaten en in-voegen in de drukte van de Interstate
15, verheugen we ons al weer op wat komen gaat: de woeste natuur van
Utah, waar we een aantal nationale parken gaan bezoeken. Utah
beroemt zich op haar Rock Stars, die nooit uit de tijd zullen zijn.
Als we de I-15 verlaten richting Zion National Park rijden we al
vrij snel door enorme kloven en worden omringd door gigantische rode
rotsformaties. Als we Zion binnen-rijden, moeten we $ 15 betalen om
door de tunnel die in de route ligt te mogen rijden. Na een aantal
stops op prachtige uitzichtplaatsen komen we bij de tunnel. We
melden ons bij de ranger, die per walkie talkie contact heeft met
haar collega aan de andere zijde. Na een aantal minuten komt een
konvooi met enkele grotere campers de tunnel uitrijden. Er vindt wat
gepraat plaats en de ranger zet de pylon weg; we mogen rijden. De
tunnel is aardedonker en wij moeten precies in het midden rijden,
omdat we anders met de bovenzijde aan de kanten schade zullen
oplopen. In de lange tunnel zitten nog een aantal bochten. Aan de
koplampen heb je wel enige steun, maar er is geen enkele reflectie,
dus het blijft goed uitkijken. We komen aan de andere kant eruit en
hier is het weer iets anders, want het begint te regenen. Later zijn
er nog wat buien, maar als we Bryce Canyon National Park naderen,
wordt het gelukkig weer beter. We rijden door prachtige
natuurgebieden.
Het is de National Scenic Byway 12, die van de US 89 naar de Utah 24
gaat en 124 mijl lang is. Voor deze route zou de oude Indiase
wijsheid: “De Weg Is Het Doel”, maar dan letterlijk. Hij eindigt in
Capitol Reef National Park, waar we overmorgen zullen overnachten.
We gaan in de camping op onze plaats staan. Onze naam staat al bij
de plek. Het is behoorlijk druk, maar je hoort niemand. Hier en daar
wat vuren, waarop het bekende cremeren plaatsvindt. De natuur is
zelfs op de camping soeve-rein.
Als wij rond 19 uur bezig zijn met lasagne in de magnetron (die het
alleen doet op de generator) denken we dat we nog tijd genoeg
hebben, want tot 20:00 uur mag je de generator laten snorren. Dan
komt de ranger enigszins geïrriteerd ons vertellen, dat we storen,
want het is al vijf over acht.
Pardon? O nee, hè, ja hoor, we zijn er weer eens ingetuind, we zijn
naar een andere tijdzone gereden en het is nu al een uur later. Onze
avond gaat zo wel erg snel voorbij. Ik weet de ranger te overtuigen,
dat het geen kwade wil is en krijg 5 minuten extra. (“I’ll be back …
to check it out”, voegt hij er gemeenlijk aan toe. Probeert nu
iedereen hier Arnold Schwarzenegger na te doen?
De temperatuur zakt inmiddels rap, want we zitten boven de 2.000
meter. Morgen gaan we met de shuttle de Hoodoo bekijken, de beroemde
rotsen van Bryce.
Doodsoorzaken in Bryce Canyon
Dinsdag, 2 juni 2009. Vreemd genoeg begint de brochure over Bryce
Canyon Natio-nal Park met een opsomming van de oorzaken van
dodelijke ongevallen in dit park. Er is een ware top 10. Op de
nummers 1, 2 en 3 staat “Verkeerd Schoeisel”. Op nummer 2 overmatige
inspanning, omdat Bryce op 2.300 meter ligt. Op nummer 3 het pad
verlaten en verder nog uitdroging, negeren van slecht weer, voeren
van die-ren, klimmen en uitglijden en op nr. 10 verkeersongelukken,
vooral door te hard rijden. Interessant toch?
We rijden met de shuttle naar Sunset Point, vanwaar we naar Sunrise
Point wandelen, onderweg genietend van de continue wisseling van
landschappen. Je kan hier wel blijven fotograferen en het weer zit
goed mee. Vanaf Sunset Point ga ik 167 meter omlaag de Navajo Trail
lopen; dezelfde korte hike, die ik in 2003 liep. En dan zie je de
oorzaken van die ongelukken, natuurlijk niet allemaal dodelijk, maar
ik kom mensen tegen, zelfs een met een klein wandelwagentje met
huilend kind erin.
De vrouw draagt pumps! Het aantal puffende en zwetende mensen is
behoorlijk. Ik zelf hijg als een molenpaard als ik na 45 minuten
weer terug ben, moe maar vol-daan.
We gaan lekker Catfish eten in de Bryce Lodge, de enige nog
overgebleven lodge uit de twintiger jaren. Alle bekende nationale
parken hadden er een, maar ze zijn dus op deze ene na allemaal weg.
De vis gaat weer vergezeld van patat en een lap sla, maar het
smaakt.
We gaan terug naar de camper en doen het rustig aan vandaag.
Morgenochtend tanks legen en water bijvullen, want in Capitol Reef
National Park is wederom geen enkele voorziening en staan we tussen
de fruitbomen. De camping heet dan ook Fruita Campground. Het is nog
geen 200 km over de prachtige Scenic Byroad # 12.
We eindigen de dag met een korte wandeling over de camping en gaan
halverwege nog even naar de rand van het amfitheater van Bryce
Canyon. Het is weer adembenemend met de ondergaande zon.
Een koude nacht en een koude douche
Woensdag, 3 juni 2009. We hebben een tweede nacht op de prachtige
North Campground van Bryce gestaan. Vanwege de grote hoogte wordt
het ’s nachts be-hoorlijk koud. Geen probleem, want de kachel laten
we gewoon automatisch op 17 graden aanslaan. Toch wel een probleem,
want we trekken teveel energie en we staan op in een koude camper
zonder warm water!
De led’s van de boordaccu’s geven ‘leeg’ aan en we krijgen het even
warm, maar dan in overdrachtelijke zin. Dan maar met koud water
douchen en hopen, dat we genoeg power overhebben om a) de motor te
starten en b) de Slide-Out naar binnen te trekken. Dit blijkt
allemaal prima te gaan en we hoeven zelfs niet met de ‘boost’ te
starten. Na een wel erg pover ontbijt (de generator mag pas na 8 uur
worden ge-bruikt) zonder geroosterd brood (ongeroosterd is brood in
de VS niet te vreten) ver-trekken we.
Maar eerst nog de tank met vers water vullen en de beide afvaltanks
legen. Dit ge-beurt buiten de camping op een speciale plaats.
Gelukkig is er niemand om van mijn geknoei getuige te zijn, want de
slang van de afvoer schiet los als ik net de zwart water tank leeg.
Ik zal maar niet beschrijven, wat er allemaal over de betonnen vloer
drijft, maar fris is anders. Inmiddels had ik ook de waterslang al
aangesloten op de verswatertank en het water spuit aan alle kanten
bij de aansluiting eruit. Enfin, een beetje fris water erbij kan
geen kwaad en ik sluit de afvoer nu extra zorgvuldig aan. Het
grijswater (douche- en gootsteenwater) spoelt de slang van binnen
schoon en tot mijn verbazing stroomt dan de verswatertank al royaal
over; hoe kan dat nu in zo’n korte tijd? De verklaring is, dat de
druk op de waterslang onwaarschijnlijk hoog is, waardoor er a) water
bij de aansluiting naar buiten spuit en b) de tank in no time vol
is. Ik gebruik deze ‘brandslang’ om alles (vloer en
afvoercompartiment) schoon te spuiten en we kunnen rijden!
Zoals al bedacht, gaan de de scenery road # 21 naar Capitol Reef
National Park rij-den, waarbij de weg zelf in feite het doel is,
zoals de brochures beloven. Alles wat beschreven is blijkt een
understatement. Het ene na het andere prachtige en indruk-wekkende
landschap ontrolt zich. We rijden de weg met een comfortabele
snelheid van rond de 40 mph. Er is vrij weinig verkeer en we doen
praktisch alle scenic outlooks aan om ons te verbazen over het
uitzicht en het natuurschoon.
We ontmoeten 2 fietsers uit Monterey (bij San Francisco), die per
dag 15 tot 35 mijl afleggen en al 3 weken onderweg zijn. Zij zeggen,
dat je eigenlijk enigszins ge-stoord moet zijn om zoiets te
ondernemen. Let wel, er zijn praktisch geen fietspaden en je fietst
in de hitte van de dag, terwijl het overige verkeer langs je heen
raast.
Als we ’s middags in de Fruita Campground midden in Capitol Reef
aankomen, zijn er nog enkele plaatsen beschikbaar (“First come –
First serve” is hier de regel). Even later staan de borden
“Campground Full” bij de ingang. Ik ga alleen een trail lopen die
omhoog de bergen ingaat, maar moet na een half uur terug, want de
wind neemt enorm toe en er dreigt slecht weer en dan wil je hier
niet wezen. Als ik op de plek terugkom, vertelt Els, dat het zelfs
op de camping even heeft geregend, zo plaatselijk kunnen de buien
hier zijn. Later ga ik nog een trail langs de Fremont River lopen en
laat me weer verleiden om omhoog te klimmen, nu onder mooie zonnige
omstandig-heden.
We bezoeken de Gifford Homestead, een oude boerderij die in 1908
door de poly-gamist Calvin Pendleton werd gebouwd. Daarna woonden
nog andere mormonen in deze farm tot 1969. De laatste familie,
Giffford, woonde er 41 jaar. Het is nu een museum en een farm met
eigengemaakte lekkernijen. We hebben er heerlijk gebak gekocht met
aardbeien en rabarber, alles ouderwets huisgemaakt.
Op de camping komen nog 2 herten gezellig langs en grazen wat. Een
hert vindt de bladeren van de bomen erg lekker en gaat gewoon op z’n
achterpoten staan en trekt dan een tak naar beneden. De vogels zijn
hier erg gezellig en hippen voortdurend over de camping. Het zijn
allemaal vogels, die we in Nederland niet zien.
Het was een lekkere relaxte dag met een overdonderende natuur.
Kathedralen, sfinxen, kastelen en monsters
Donderdag, 4 juni 2009. Vanmorgen vertrokken van de mooie Fruita
Camping middenin de vallei van Capitol Reef National Park. Onderweg
verbazen we ons over een piepklein houten schooltje, dat door de
mormonen werd gebruikt als school in de winter, want de kinderen
moesten op het land meewerken in het voorjaar, de zomer en de
herfst. En dan nog beweren, dat de mormonen goed onderwijs voor de
kinderen erg belangrijk vonden.
Tijdens het lozen van het afvalwater een geanimeerd gesprek met een
man uit Houston, die echter van San Francisco daarheen was verhuisd.
Hij miste Frisco nog iedere dag, vooral de Pacific, waar je zo
heerlijk over kon uitkijken. “Maar je hebt de Golf toch”, zeiden
zijn vrienden dan. Hij vertelt me, dat “ze er niets van begrepen
hebben”.
De highway # 24 is niet echt boeiend en we rijden flink door. Het
laatste stuk is zelfs stomvervelend, zo saai door de woestijn met
bergen in de verte. Dan gaan we Inter-state # 70 op en deze freeway
gaat door steeds spannender wordend landschap; de kleuren worden
weer rood, roze, oker, opaal en de rotsen krijgen weer mooie
fantastische vormen.
Als we Arches National Park binnenrijden, is het net 12 uur geworden
en we zoeken een mooie plek om te lunchen. We hebben dan uitzicht op
de eerste grote ‘monumenten’. Ik noem de Three Gossips, drie torens,
die als menselijke figuren met elkaar babbelen. Let wel, de figuren
zijn tientallen meters hoog. We kijken naar de Tower of Babel, een
gigantisch brok rode rots.
We rijden naar de Windows Section, waar de rotsen te zien zijn met
ronde gaten van tientallen meters diameter. Alles is groot, groot en
nog groter. De panorama’s die zich voor ons ontvouwen zijn weids en
de afstanden zijn niet in te schatten. Alle rotsformaties hebben
namen. Maar we kunnen natuurlijk ook zelf onze fantasie laten
werken. We zien dus sfinxen, gebouwen als kathedralen, archiefkasten
van honderden meters lang met hangmappen van minstens 20 meter en
natuurlijk vele monsters. Na een tocht van ruim 3 uur gaan we het
park uit en naar de KOA camping van Moab. We staan gelukkig in de
schaduw op een z.g. Pull Through plaats met alle voorzieningen,
incl. WiFi.
Als ik de weersverwachting voor de komende week bekijk van het
gebied waar we naar toe gaan, slaat de schrik me om het hart.
Maximum temperaturen van krap 6 tot 10 graden, onweersbuien en zelfs
sneeuw wordt voorspeld. Maar wat te doen? Ook Yellowstone ziet er
beroerd uit. We besluiten het erop te wagen en zullen er het bes-te
van maken. Uiteindelijk hebben we niet voor niets truien,
winterjassen en zelfs handschoenen bij ons. We gaan morgen dus
gewoon naar Flaming Gorge en gaan genieten van de woeste natuur van
dat gebied.
Een persoonlijke kus en polygaam bier
Vrijdag, 5 juni 2009. Vanmorgen na een lange hete douche in de
perfecte wasruimte van KOA, Moab vertrokken. In het centrum van Moab
gewinkeld in de goed georganiseerde City Super Market en ons laten
verleiden tot heerlijke verse producten. Eindelijk diverse
visgerechten kunnen kopen. Geld getrokken bij een ATM (flappentap).
Ik betaal in principe alles met creditcards, maar contant geld is
bijvoorbeeld nodig bij natuurcampings, waar je geld in een zakje
moet doen. Verder heb je vaak 1 dollar biljetten nodig voor de
fooien.
Over de HWY # 191 rijdend genieten we nog volop van de rode rotsen
van Utah. Dan komen we op de Interstate # 70 en rijden dezelfde
route van gisteren, maar nu naar het westen. Dan bij Green River,
waar we pauzeren en lunchen, rijden we ver-der over de # 191, die
even ‘te gast’ was op de Interstate # 70. Die combinatie van diverse
routes over hetzelfde traject komt hier vaak voor, soms wel 3
tegelijk. Het is dan wel goed uitkijken en we rijden wel eens
verkeerd, maar gelukkig ontdekken we dat meestal snel als Tommy
begint te jammeren, dat we echt moeten omkeren. Ook Els ontdekt het
meestal snel, maar dan ben ik er al bijvoorbeeld voorbij gereden en
keren met onze camper kan niet overal even simpel, vooral niet in de
bergen.
In Green River staan we middenin het dorp. Het is hier een
mijnstreek en de armoe is overal te zien. O.K., het zijn allemaal
vrijstaande houten woningen met porch, maar vaak verveloos en in een
abominabele toestand. Op de porch steevast een afgeleefde salonbank.
We lezen op een herdenkingsplaat bij een hangbrug over de Green
River, dat de werkeloosheid in Utah tijdens de crisisjaren dertig
63% was. Dit is toch ongekend. Er was een overheidsorganisatie die
toen praktisch alle openbare gebouwen in Utah heeft gebouwd bij
wijze van werkverschaffing.
Wij kijken op een woning, waar de indiaanse bewoner zijn schamele
tuintje besproeid. De buurvrouw loopt naar haar bouwvallige schuur
met een baby op de arm en drie kleine kinderen achter haar aan. Er
komt een local op een dikke Harley langs tuffen. De auto’s zijn
bijna allemaal oude gedeukte pick-ups. Bij de woningen staan vaak
meerdere wrakken; allicht dat er op die manier een auto aan de praat
wordt gehouden. Het is in alle plaatsen, waar we doorrijden
eigenlijk hetzelfde beeld: alleenstaande houten woningen met een
enorme zooi eromheen. Soms staan er op een perceel nog enkele oude
caravans, maar we zien ook een slecht onderhouden woning, waar een
fonkelende 45’ diesel-pusher naast staat. Wat is het verhaal? Geen
idee. Snowbirds misschien?
Dan gaan we verder. We missen de afslag van # 191 en kunnen pas na
10 mijl ke-ren; grrrrrr…. Dan blijkt de drukke # 191 veranderd te
zijn in een scenic byway en de omgeving wordt indrukwekkend mooi.
Hoge bergen omringen ons en de groen schakeringen zijn velerlei. De
weg kronkelt langzaam en helemaal niet steil hoger en hoger. Dan
zijn we op pashoogte en die is maar liefst 9.000 voet oftewel 2.700
meter en dat is verrekte hoog. Ook de afdaling is zeer geleidelijk
en het landschap wisselt sterk af.
We komen bij Vernal en gaan op zoek naar Steinaker State Park, waar
we in de natuur ‘dry camping’ willen doen. We weten het vrij vlot te
vinden (maar enkele mijlen verkeerd gereden) en melden ons bij de
receptie. Tot onze verbazing zijn hier full hook-up plaatsen te
krijgen. Of we hebben gereserveerd, wordt ons gevraagd. Dat hebben
we niet en we mogen zoeken. Plaats # 7 is de enige vrije full
hook-up plaats en die heeft een prachtig uitzicht naar voren en aan
een zijde op het Steinaker Reservoir. Dit is een groot stuwmeer van
maximaal 40 meter diep, dat nu tot de rand is gevuld. Het park ligt
op ruim 1.650 meter hoogte. Dit is het land van de dinosaurussen,
die hier 130 miljoen jaar geleden rondstapten, zwommen en vlogen. Ik
hoor, dat de rangers van State Parks in Utah sheriff zijn en dus
ge-wapend. Op de wagens staat dan ook “Law Enforcement”. De rangers
van National Parks zijn dat niet. Ondanks de regen die valt,
genieten we van de rust en kijken om ons heen. We horen alleen
insecten en vogels.
Dan breekt de ondergaande zon door en ik snel naar buiten om wat
plaatjes te schieten. De verlichte bergen tegen die dreigende lucht
zijn prachtig om te zien. De foto’s komen in de buurt van de
werkelijke ervaring; je kan nu eenmaal niet alles vastleggen, maar
de ervaring staat op ons netvlies en de geschoten plaatjes helpen de
herinnering levendig te houden, toch?
Op de televisie is een uitzending van een live concert uit New York
van ene Josh Groban. De man heeft een prachtige stem met een Iers
timbre. Na het concert komt een commercial met de mogelijkheid om
e.e.a. aan te schaffen. De prijzen verbazen ons: de CD kost $ 60,--,
de DVD $ 100,-- en de combinatie van de DVD met 3 CD’s kost maar
liefst $ 225,--. Je steunt daarmee de televisiezender KBYU (“TV you
can trust, thank you”), waardoor het mogelijk blijft om concerten
uit te zenden. Er volgt nog een vraaggesprek en een oproep van Josh
zelf, die zegt, dat hij iedere verkochte CD of DVD persoonlijk zal
kussen…. nou ja! Zie ook www.KBYUTV.org.
Hierna volgt een zinderend concert van de virtuoze violist David
Garret. Ook nu dure DVD’s en CD’s met dezelfde oproep, alleen nu
geen persoonlijke kussen. De zender draait geheel op vrijwillige
contributies. Voor $ 40,-- per jaar ben je lid. En het werkt…. echt.
Ook worden kinderen “ingezet” en de omroepster meldt, dat haar
dochter vroeg:”Mammy, can I have that DVD, so I can see David again?”
Ik volg ook nog even een serieuze Bijbelstudie door vier mannen in
pak in een stu-deerkamer met een indrukwekkende wand boeken. Het
zijn Latter Day Saints. Ze halen Bijbelteksten aan en “tonen daar
mee aan” dat de dood van Abraham Lincoln niet echt toevallig was,
maar min of meer het gevolg zou kunnen zijn van het feit, dat hij de
vervolging van de mormonen zou hebben gelegaliseerd, hetgeen een
jaar voor zijn dood plaatsgreep. Ze spraken over de Mormon Trail, de
zwerftocht van de vervolgde mormonen en de uiteindelijke bestemming
in Utah. De oprichter van deze kerk (noem het geen sekte….) Joseph
Smith werd door een woedende menigte ge-lyncht. In Utah zijn
overigens 70% van de inwoners lid van de Latter Day Saints, ook
bekend staand als mormonen. De Saints zitten overal in en bij het
zaken doen of een bedrijf runnen kun je niet om deze “Heiligen van
de Laatste Dagen” heen.
Nog even iets over enkele opvallende biermerken uit Utah. Een Amber
Ale van het merk Dead Horse, gebotteld voor de Moab Brewery. Het
bier is genoemd naar het nabije State Park “Dead Horse Point” en
heeft als slogan “You Can’t Beat a Dead Horse”, wat een prachtige
woordspeling is. Het andere opvallende biermerk is Poly-gamy Porter
van de Utah Brewers Cooperative. Ook hun slogan is zeer humoristisch
als je beschouwd dat het om mormonen gaat: “Why have just one if you
can have more?”. Ook suggereert men:”Bring some Home for the Wives!”
Dolle boel hier in Utah…. Overigens is polygamie officieel verboden,
maar er zijn nog een aantal fun-damentalistische families, waar de
heer des huizes meerdere echtgenotes er op na houdt. Deze families
wonen in afgelegen gebieden op zichzelf.
Zoals gisteren al vernomen, zijn de weersvooruitzichten eigenlijk
nogal beroerd. Ik sprak een medekampeerder, die me vertelde, dat hij
gisteren nog bij Denver (Colora-do) in een sneeuwjacht reed. We zijn
benieuwd naar de dagen die komen. Morgen overnachten we in een
camping slechts 15 mijl onder de zuidelijke ingang van Yel-lowstone.
Voordat we daar zijn, moeten we wel ruim 500 km afleggen en enkele
ho-ge passen bedwingen. We zullen vroeg op pad zijn.
Vijf uur gegarandeerd visplezier in ijskoud water
Zaterdag, 6 mei 2009. We worden wakker met een opkomende zon onder
een strak blauwe hemel. Het landschap om ons heen is buitengewoon.
Nu met de morgenzon ziet alles er weer anders uit, dan gisterenavond
met de avondzon onder dreigende luchten. Het heeft vannacht wat
geregend, maar niets van onweer, windstoten of ander onheil, zoals
de verwachtingen waren.
We maken alles klaar en vertrekken na het lekkere ontbijt (ja, in de
zon!) al om 07:15 uur richting Grand Teton. Met dit lekkere weer
gaan we verder de HWY # 191 rijden, die ons helemaal tot bij de
camping in Grand Teton National Park zal brengen. We hebben nog ruim
500 km te gaan en we beginnen met een gigantische klimpartij, waar
een medekampeerder ons gisteren al voor had gewaarschuwd. We komen
we-derom uit op een hoogte van ruim 2.500 meter en daarna nog op
2.900 meter en het is er lekker fris, nog steeds met stralende
ochtendzon.
We komen dan bij Flaming Gorge, een prachtig stuwmeer, dat tot de
rand is gevuld. We tanken bij een “plaatsje” dat Dutch John heet en
dat bestaat uit een winkel annex pompstation, enkele huizen, een
heus postkantoortje en natuurlijk een kerkje. De winkel, waar ik
voor de benzine moet betalen, staat vol met winkelende Amerikaanse
vissers. Alles draait hier om vissen. Men discussieert over de
juiste vlieg (“lure”) voor bepaalde vissen. De meest griezelig echte
kunststof monstertjes zijn er te koop. Het zijn alleen maar mannen,
die deze ruige sport beoefenen. Je kan voor twee personen een visdag
reserveren voor $ 325,--. Je gaat dan met een 9- persoons 4WD jeep
naar de visgronden en wordt voorzien van alle attributen, incl. een
vispak, waarmee je dan tot over je middel in het snelstromende
ijskoude water van de Green River kan staan. Men garandeert vijf uur
visplezier plus foto met een gevangen vis!
Brrrrrr… wij eten de vis liever.
Dan wordt het weer minder fraai en de lucht trekt helemaal dicht,
naarmate we meer naar het noorden rijden. We passeren een rivier,
die de Big Sandy River heet en als we eroverheen rijden, blijkt het
een stroompje van amper 3 meter breed te zijn. We zijn inmiddels
Utah uit en rijden Wyoming binnen, de cowboystaat. Dit is het echte
wilde westen, althans dat claimt men. We komen door een dorp Boulder
na zo’n 70 km leegte en alleen woestijn. Dit dorp heeft 75 inwoners
en heeft naast enkele wo-ningen uiteraard een …. kerkje. Toch
handig, iedereen hetzelfde geloof en alle 75 inwoners ’s zondags
gezellig naar de kerk. Als je nagaat, dat in een dorp als Wilsum al
twee kerken staan en ook in Zalk dacht ik zelfs drie. Hetzelfde
geloof is dus niet alleen gezelliger, maar ook economischer.
Het weer is afwisselend beroerd en iets minder beroerd, vooral de
harde wind maakt het rijden niet tot een pretje. Als zo’n joekel van
een Amerikaanse vrachtwagen je als tegenligger passeert, krijgt de
camper een flinke klap. We pauzeren bij een plaats, waar de Oregon
Trail werd gereden door de pioniers van destijds. Het karrenspoor
gaat dwars door de woestijn en we kunnen ons toch wel iets
voorstellen van de ontberingen in die huifkarren. Dan is een camper
toch iets comfortabeler. Door het leggen van deze trail bespaarde
men overigens 5 dagen reizen op weg naar Oregon. Dan stopt er zowaar
een andere auto. De man blijkt een lekke band te hebben en terwijl
zijn vrouw een soort poncho boven hem houdt zit hij bij de band en
gaat aan de gang.
We rijden door een desolaat woestijnlandschap en de weg is geregeld
behoorlijk slecht, waarschijnlijk om je toch iets van het
pioniersbestaan te laten voelen. Wat me opvalt, zijn de verschillen
in boetes voor ‘littering’, vervuilen van de berm van de weg. In de
ene staat bedraagt de maximale boete $ 2.000,--, in een andere staat
weer $ 1.000,-- en nu in Wyoming “slechts” $ 750,--.
De HWY # 191 gaat door en vanaf Hoback Junction wordt het weer een
echte sce-nic road en de natuur om ons heen wordt snel bergachtig.
In de verte doemen de besneeuwde toppen van het machtige Grand Teton
gebergte op. Dan rijden we Jackson binnen, je weet wel van de song
van Johnny Cash en June Carter. Dit is een stad van zo’n kleine
90.000 inwoners, die geheel draait op het berg- en watertoerisme. De
straten waar we doorrijden (parkeren is voor ons uitgesloten) zijn
zeer onoverzichtelijk en alle shops staan kris kras neergesmeten. De
schreeuwerige reclameborden proberen je aandacht te vangen, maar
door de overdaad aan reclame zie je ze als één woud van kreten.
Uiteraard zijn alle fast food restaurants vertegenwoordigd, zoals
McDonalds, Denny’s, KFC, Jack-in-the-Box, enz.
De verschillende kerkjes staan in een soort kerkenboulevard met
prachtige namen als “Church of Christ” en “Tabernacle of God”.Ze
zijn onveranderlijk van hout en meestal wit geschilderd, omgeven
door een gazonnetje, dat met een nagelschaartje lijkt te worden
bijgehouden. Hier in Jackson zit men blijkbaar toch niet allemaal op
dezelfde lijn, zoals in Boulder. Dan is die ene grote tempel in Salt
Lake City weer economischer. In Utah zijn overigens 70% van de
inwoners lid van de Latter Day Saints, ook bekend staande als
mormonen.
Dan rijden we Grand Teton National Park binnen. We krijgen een
plaats in het RV-park en staan tussen de bomen en de vele tientallen
andere campers; wij zijn met onze 10 meter ongeveer de kleinste. We
kopen een bak notenijs, die wel erg Amerikaans zoet smaakt. Toch
maar weer volgende keer Haegen Dasz, tenminste als we deze enorme
bak nog opkrijgen….
Tegenover ons staat een diesel-pusher van 45’, een Endeavor, waarvan
de eigenaar zorgvuldig z’n ramen wast. Hij beschikt over allerlei
vernuftige hulpmiddelen, zoals een opvouwbaar opstapje. Hij is een
tijdje bezig en verdwijnt dan in de RV. Na enige tijd komt hij naar
buiten met in z’n linkerhand een flesje bier en in de rechterhand
een piekklein bibberhondje. Hij zet het hondje op de grond en laat
het wat rondscharrelen, loopt er achteraan, drinkt af en toe een
slok bier, raapt het hondje van de grond, loopt weer terug, zet het
hondje weer neer en het hele ritueel herhaalt zich zeker een keer op
tien. Dan gaat hondje weer met baasje en (leeg) bierflesje de RV in
en we zien hem niet meer. En verder tikt de regen op het dak. Geen
voorspelde stormen gelukkig. Morgen schoonmaak- en wasdag.
Een witte Kerst in juni
Zondag, 7 juni 2009. De hele nacht heeft het geregend en het is
verrekte koud, dus de verwarming in de camper houdt de temperatuur
op 17 graden. We slapen lekker uit, dus pas tegen een uur of half
tien zitten we uitgebreid met gekookt eitje te ontbijten. We gaan
als het even wat minder regent naar de wasserij, een professioneel
geleide wasserette. Dan begint het buiten te sneeuwen.
Vanmorgen zijn er al vele RV’s over de HWY # 191 naar Yellowstone
vertrokken. En de eerste wagens komen terug. Er wordt druk gebeld
vanaf de Southern Entrance naar de camping, of ze terug mogen komen,
want Yellowstone heeft de poorten ge-sloten wegens zware sneeuwval.
De wagens die terugkomen rond het middaguur zijn zwaar besneeuwd.
Hier blijft de sneeuw niet op de grond liggen, alleen op de auto’s.
Hoe gaat het in een Amerikaanse wasserette? Je doet alles met
quarters, een kwart dollar. Hierop zijn we voorbereid en reeds in
Las Vegas wisselden we $ 10 voor een rol quarters. Je kiest
vervolgens een wasmachine (er staan er zo’n twintig stuks), doet je
was erin, wasmiddel en zeven quarters. Na een half uur is alles
klaar en gaat de schone was in een van de twintig drogers, die op
vier quarters zijn werk doet.
In de sneeuwbui, die maar doorgaat, gaan we terug naar de camper.
Dan breekt de zon door en het weer verbetert. We horen ook, dat
Yellowstone weer open is. Als dit morgenochtend ook het geval is,
hoeven we geen 120 km om te rijden om naar West-Yellowstone te
rijden. We wandelen wat langs het prachtige Jackson Lake met de
besneeuwde Grand Teton soeverein op de achtergrond.
De middag brengen we vooral lezend door met op de lokale radio een
gezellige show. Het nieuws wordt beheerst door het bericht, dat er
vanmiddag maar liefst vijf tornado’s in Colorado zijn geweest, maar
500 mijl hier vandaan. Eén van de “twis-ters” is maar liefst dertig
minuten aan de grond geweest; de schade is aanzienlijk. Daarmee is
onze sneeuw kinderspel. Onze buren komen uit Colorado en kwamen om
een uur of vijf aan na een lange rit rechtstreeks van huis! Zij
hebben onderweg zware hagelbuien gehad.
Verder valt op, dat Canada de bedrijven uit de V.S. uitsluit voor
openbare aanbeste-dingen. Dit als reactie op de Amerikaanse
protectionistische maatregelen, die volle-dig indruisen tegen het
door de V.S. zelf verkondigde adagium, dat protectionisme als middel
om de economie op te krikken veroordeelt. En intussen draaien de
Ameri-kaanse dollarpersen gewoon door.
We kopen in de prachtige giftshop cadeautjes voor de kinderen (en
kleinkinderen!) en schrijven wat kaarten. Ook bezondigen wij ons aan
een chocolade muffin, die verleidelijk en onweerstaanbaar in vitrine
naar ons lag te lonken. De camper is inmiddels weer spic en span en
we zijn helemaal uitgerust en klaar voor Yellowstone!
Yellowstone: zon, sneeuw, bisons, herten, adelaar
Maandag, 8 juni 2009. Vanmorgen vertrekken we uit het bos in de
Grand Teton. We willen aanvankelijk nog eerst een tocht maken langs
het Jackson Lake. Donkere wolken pakken zich echter samen en we
besluiten direct naar de Southern Entrance van Yellowstone te
rijden, nu die tenminste nog open is. Enkele mijlen voor Yellowstone
houdt de asfaltering op en wordt de weg een ‘dirt road’. Met een
zeer lage snelheid hobbelen we langs de kuilen met een file auto’s
achter ons aan. Dan wordt de weg geblokkeerd en staan we stil in een
lange file.
De ‘dirt road’ is het gevolg van werk aan de weg. Men heeft over
enkele mijlen alle asfalt verwijderd en bij de blokkering is men
druk over een weghelft aan het werk. Ook hier vallen de MSA helmen
van de wegwerkers weer op. Meestal zijn dit V Gards en soms zie ik
ook TopGards. Deze helmen hebben we de afgelopen weken al erg veel
gezien. Het verkeer komt weer op gang en we naderen Yellowstone, het
oudste (1872) Nationale Park ter wereld. En dan zijn we binnen. In
feite was Yellowstone de trigger voor onze Amerikareis, dus er
zindert wel enige sensatie door ons heen.
Al vrij snel hebben we een eerste ontmoeting met wilde dieren en we
genieten van een groep grazende elks langs de weg. Ze steken vlak
voor ons over en kijken ons aan met een blik van:”Waag het niet door
te rijden…..” We schieten mooie plaatjes. Daarna volgen prachtige
watervallen, dampende velden met veel vulkanische activiteit en een
groep bisons (de z.g. ‘buffalo’). Ook hier blijf je plaatjes
schieten, zo opwindend is het kijken naar deze prachtige beesten.
Het weer is niet eens slecht. Vaak zon, dan weer een plotselinge bui
met natte sneeuw. Vaak dreigende luchten, die het hele landschap
weer een extra spannende dimensie geven.
We maken een wandeling rond de Old Faithful, die helaas net was
uitgebarsten. Het opspuitende hete water komt meestal tot 45 meter
hoog met een record van 120 meter. We wachten niet op de volgende
uitbarsting, die naar verwachting over zo’n negentig minuten zal
plaatsvinden. We komen nog wel terug. We gaan nog naar andere
geisers, die wat bescheidener zijn, maar de ervaring van het tussen
de borrelde geisers door te lopen, soms onzichtbaar door de
waterdamp, is fantastisch.
Dan plotseling een verkeersopstopping met opgewonden mensen met
camera’s en verrekijkers: er is weer wat te zien. Wat we te zien
krijgen is geweldig: een prachtige Amerikaanse adelaar (American
Eagle) op het nest in een hoge boom. Wat is dit mooi; we genieten
ervan. En gelukkig net geen regen, maar een zonnetje.
We doen nog wat scenic tours langs nog meer dampende velden en
bruisende wa-tervallen en verlaten later in de middag Yellowstone om
naar de K.O.A. kamping (deze keten probeert de spelling te
beïnvloeden) te rijden. Deze ligt 6 mijl ten westen van
West-Yellowstone en dit wordt onze thuisbasis voor de komende 4
dagen.
Onze plaats is voorzien van alle gemakken, inclusief een waardeloos
werkende Wi-Fi… wat een ergernis! De plaats heeft zelfs een betonnen
perron (het is net een bushalte van Connexxion), zodat we niet
voordurend onze camper bevuilen met naalden, bladeren en modder. Ook
hebben we een heuse schommelbank bij het crematorium en de vuurring.
Helaas valt er een enorme hoeveelheid regen uit de lucht en we
blijven binnen. Morgen een nieuwe dag voor Yellowstone. We gaan dan
een andere ‘loop’ rijden.
Een kudde bizons op de highway
Dinsdag 9 juni 2009. Na een goede nacht vanmorgen monter opgestaan
om onze tweede dag Yellowstone te beginnen. We doen eerst de
boodschappen in een lokale supermarkt, waar ons geregeld wordt
gevraagd, of we alles kunnen vinden en “happy” zijn, maar dat zijn
we wel gewend in de V.S, die vergaande ‘courtesy’, waar we in ons
Nederland iets meer van zouden mogen hebben. We rijden de westelijke
ingang van Yellowstone binnen en worden vrij snel geconfronteerd met
dezelfde ‘bold eagle’ van gisteren, maar nu aan de andere kant van
de weg in de top van een spar.
Het verkeer stokt altijd bij dit soort ontmoetingen en we kijken vol
bewondering naar deze machtige Amerikaanse adelaar. Dan gaat hij
vliegen hij wiekt weg over de bos-sen van Yellowstone. Als we later
om een uur of 6 weer langs komen, zit de adelaar weer op het nest.
Er is een verkeersopstopping; het verkeer staat volkomen stil.
Vreemd is ook, dat er lange tijd geen tegenliggers zijn. Dan wordt
duidelijk wat de oorzaak van de file is: er komen een aantal bizons
doodgemoedereerd over de weg aansjokken, fantastisch. Wij zitten in
de camper hoog en droog en … eerste rang. De groep bizons blijkt de
‘kopgroep’ te zijn: er volgt een hele kudde. Ze lopen links en
rechts langs de auto’s en stoppen geregeld, kijken eens om en houden
vooral ook de jonge bizons in de gaten. Als een man met een
fototoestel de bizons iets te dicht nadert, haalt een van de bizons
dreigend uit en de man moet zich met een zwaai over de motorkap van
een (zijn?) auto in veiligheid brengen. Als je nagaat, dat een
volwassen bizon 900 kg weegt en zo’n dertig km/uur kan lopen, lijkt
me een confrontatie niet aan te bevelen. De jonge bizons zijn zeer
aandoenlijk en sjokken met kleine pasjes achter de oudere dieren
aan. Als de hele kudde is gepasseerd komen we in beweging en
passeren de tegenliggende file auto’s van vele kilometers (die dus
niets hebben gezien), die in bizontempo vooruitkomen.
We zien verder nog elken en ook weer met een jong dier. Het
fotograferen van een moederdier met jong, die vlak voor je
oversteken geeft enorme voldoening. De dieren kijken je aan, het
moederdier besnuffelt haar jong en samen gaan ze de wildernis weer
in. Een stel berggeiten steekt over en springt over de rand van een
ravijn. Daar blijkt een lekker plekje te zijn om te gaan zitten. De
geiten kijken je aan met een blik van “wie doet me wat”.
We gaan een pas over van 2.700 meter. Er is veel verse sneeuw
gevallen en het landschap is geweldig. Gisteren was deze pas nog
afgesloten, dus we hebben wer-kelijk alle geluk van de wereld. De
uitzichten op de omliggende bergen zijn indrukwekkend; alle toppen
zijn zwaar besneeuwd. Het is ook koud en de meegenomen winterjassen
komen goed van pas. Thuis in Kampen heb ik in de haast op het
laatste moment nog mijn handschoenen meegenomen, die hier niet
overdreven zijn; veel mensen dragen handschoenen, dassen en wollen
mutsen. Helaas beschik ik nu over twee linker handschoenen. Thuis
liggen dus twee rechter handschoenen; het lijkt wel een mop.
Er is weer opwinding: auto’s langs de kant. Mensen met ‘kanon’-lensen
op hun ca-mera’s. Goed kijken, nog eens kijken en ja hoor, aan de
overkant van de Madisonri-vier staat een elk. Dan ziet Els waar de
opwinding over gaat: er staat een klein elkje naast haar moeder en
mama is van plan naar de overkant te gaan. Ze stapt in het
ongetwijfeld ijskoude water. Klein elkje blijft aarzelend op de kant
staan. Als mama al halverwege is, gaat zij voorzichtig te water en
moet zwemmen, want mama heeft veel langere poten! Dan wacht mama
halverwege de rivier tot het kleintje erbij is gekomen en gaat
verder. Dan, op de kant van de overzijde, staan ze allebei drijfnat
en schudden zich uit. Mama geeft haar jong een goedkeurend likje:
goed gedaan jong! Wij kijken het hele gebeuren uit en weten alles te
fotograferen, helaas zonder ‘kanon’lens op de camera, maar de
herinnering blijft.
We bezoeken enorme velden met borrelende heetwaterbronnen en
geisers. Het ruikt er vaag naar rotte eieren. De vergelijking die je
wel eens in reisverslagen leest met een rioolzuivering vind ik sterk
overdreven. De geur is absoluut niet misselijkmakend en goed te
verdragen. Sommige van die velden met hun dorre bomen geven een zeer
surrealistische sfeer; je bent in de wereld van Salvador Dali. Hij
moet zijn inspiraties mede van dit soort gebieden hebben opgedaan.
Je kunt je fantasie laten werken en je op een andere planeet wanen
of in Jules Verne’s “Reis naar het middelpunt van de aarde”.
We bezoeken het enorme complex van Mammoth Hot Springs. Alweer
heetwater-bronnen? Ja, alweer en steeds blijf je onder de indruk van
deze aardse natuurkrach-ten en van de kleuren van al dat gezwavel.
Ook hier is de zwavelwaterstof weer dui-delijk aanwezig. Parkeren
bij dit soort grote bezienswaardigheden is met een 10 me-ter lange
camper niet altijd eenvoudig of juist wel, want ik plant hem gewoon
neer, waar plek is. Dit zijn niet altijd officiële plaatsen, maar op
de RV plaatsen staan ook weer vaak auto’s geparkeerd. Het doet me
denken aan John Cleese die in een van z’n sketches demonstreerde,
dat parkeren in Londen helemaal geen probleem was, als je tenminste
met een Shermann tank de straat inreed en vervolgens verpletterde
hij met de tank een aantal geparkeerde auto’s.
Aan het eind van de middag komen we wederom achter een kleinere
groep sjokken-de bizons te rijden met slechts een personenauto voor
ons. We hebben weer prach-tig uitzicht op deze dieren en ook nu is
er weer een aandoenlijk kleine bizon bij. Later staat er nog op
enkele meters naast ons een grote Elk, maar we hebben genoeg foto’s
van bizons, elken, geiten, adelaar en rijden naar huis. We gaan
eten.
Buffalo Bill
Woensdag, 10 juni 2009. We hebben ons verslapen, want we zouden
vroeg opstaan. We worden pas om half acht wakker en al met al komen
we toch nog om kwart over negen in Yellowstone aan. Het reisdoel is
deze keer niet Yellowstone zelf, maar de plaats Cody, genoemd naar
de stichter van de stad, William (Bill) Cody, oftewel Buffalo Bill.
Ook de reis zelf is een doel, want dit is weer een prachtige route
door een gevarieerd landschap. Dan komen we na 225 km in Cody aan en
gaan we lunchen in het antieke Irma hotel. We kunnen nog net een
plaatsje bemachtigen.
De reis door Yellowstone van de west- naar de oostingang zorgt ook
weer voor ver-rassingen. We worden al direct geconfronteerd met een
hert dat vlak voor ons de weg oversteekt op de manier waarop ze op
de verkeersborden worden afgebeeld. Verderop een kleine opstopping
en er staat een moederbizon op de weg met een drinkend jong. Vanuit
de camper kunnen we alles prachtig volgen, hoe ze daar rustig midden
op de weg staan, onverstoorbaar. Na een tijdje komt er een andere
bizon oversteken, die totaal geen acht slaat op de moeder/kind
scène. Er komt nog een jong kijken, die ook wel trek schijnt te
hebben, maar de moederbizon heeft er genoeg van en loopt de weg af,
gevolgd door haar jong. Het andere jong is gewoon lekker op de weg
gaan liggen! Pas even later komt ook dit jong overeind en gaat naar
de kudde in de wei. Dan volgen plotseling nog een aantal bizons, die
gaan oversteken. Al met al een prachtige vertoning.
Later zien we een coyote oversteken. Prachtig beest, zo uit de
verhalen van Lucky Luke gestapt.
Cody zelf stelt niet veel voor. Het gaat hier vooral om wat je er
allemaal kunt doen en daar hebben we helaas geen tijd voor. Een
korte opsomming: Buffalo Bill Historical Center, een immens complex
van vijf musea over het wilde westen en natuurlijk de nationale held
Buffalo Bill. Je kan met een trolley 60 minuten door Cody rijden,
mm-mwah…. Er is een nagebouwd Cody, zoals het vroeger geweest was.
Er is ’s avonds een Chuckwagen dinner and entertainment
(huifkarrenfeest). Iedere avond treden de Cody Gunfighters op met
een show van schieten en doodgaan. Ook iedere avond een rodeo en
natuurlijk de Cowboy Music Revue. Ik sprak met een groep “gunmen”,
die meededen aan een shoot-out contest, waarin de groep die het
beste schieten en doodgaan kan demonstreren wint. Ik heb ze van
harte succes gewenst.
Na het eten besluiten we de prachtige route terug te nemen en een
aantal outlooks aan te doen. We bezoeken uitgebreid de Mud Volcano
en dit is inderdaad de moeite weer volop waard; wat een ontmoeting
met de onbedwingbare natuurkrachten. Al met al een prachtige dag,
waarin veel is gereden, maar ook veel is beleefd. Morgen gaan we
toch proberen de Old Faithful te zien spuiten. Verder doen we rustig
aan en gaan wat winkelen in West-Yellowstone.
Bijna als St.-Hubertus, maar dan met een camera
Donderdag, 11 juni 2009. Vandaag zoals al bedacht een rustige dag.
We gaan in de loop van de morgen Yellowstone weer binnen en willen
direct doorrijden naar de Old Faithful. En dan die file, een hele
lange file die gaat zover het oog reikt. Wij als ‘regulars’ weten
inmiddels wat dit betekent: bizons op de weg. Helaas hebben wij dit
keer alleen de file en niet de bizons. Na bijna drie kwartier zijn
we bij de oorzaak en de vermaledijde bizonkudde staat rechts vredig
in de wei te grazen; file opgelost!
We genieten van de prachtige natuurbeesten en rijden door. Later
weer bizons, maar nu vlakbij. Ik nader de bizon tot op 5 meter,
hetgeen normaal een uiterst riskante bezigheid is, maar gelukkig zit
er een kreek tussen en bizons zwemmen niet. De bizon graast lekker
door en kijkt me op zeker moment aan: YES de foto!
We komen aan bij het Old Faithful complex. Een enorm terrein met
diverse parkeer-terreinen, lodges, voorlichtingstenten,
bezoekerscentrum, servicecentrum voor RV’s en natuurlijk de Old
Faithful en een uitgestrekt gebied met geisers en warmwater-bronnen.
Overal waterdamp, gesis, geborrel en stromend water. Wij horen, dat
de geiser naar verwachting rond 13:10 gaat werken; het kan 10
minuten eerder of later worden. Er staat een enorme mensenmenigte te
wachten, meestal voorzien van ca-mera’s in alle soorten. En dan die
spanning; wanneer gaat hij spuiten. Eigenlijk een hele vreemde
vertoning, met zovelen wachten op een natuurlijke fontein. Wij gaan
er niet bij staan, maar gaan lekker in onze camper een boterhammetje
eten met ham en kaas. We zorgen wel dat we op tijd zijn.
De geiser geeft wat stoom af, sist wat, blaast wat en spuit af en
toe wat kokend water omhoog tot een meter, hooguit. Maar iedere keer
raakt iedereen in verrukking, want het gaat NU gebeuren. Weer niets
en er komt bijna geen damp meer uit. Dan weer wat gesis en damp en
meer damp Een grapjas zegt:”O.K. folks, that’s it, thank you.” en
het volk grinnikt zenuwachtig. En dan ineens ‘the real thing’ de Old
Faithful spuit en hoe! Tot enkele tientallen meters worden in enkele
minuten tonnen water omhoog gespoten. Omdat het kokend water is,
komt er een enorme hoeveelheid waterdamp vrij, die tot in de verre
omtrek zichtbaar is. Dit was de wolk, die wij vier dagen geleden in
de verte zagen, toen wij naar de Old Faithful reden en dus te laat
waren. De geiser komt weer tot rust en de menigte verlaat bijna
onmiddellijk massaal het terrein. Wij gaan nog even een
rondwandeling maken langs bronnen en geisers en genieten van de
lichte zwavelwaterstofgeur, want het is eigenlijk helemaal niet
vies, het is allemaal zo puur natuur. Het was de moeite waard om te
wachten.
We rijden terug naar de camping. Onderweg weet ik een mannetjeselk
te schieten. Het is fantastisch om dit dier in z’n natuurlijke
omgeving waar te kunnen nemen. Het dier kijkt me lange tijd aan met
die prachtige hertenogen en dat mooie voorjaarsgewei met fluweel
bekleed. Ik schiet verscheidene foto’s en zie hoe het dier na enige
tijd het bos weer ingaat.
Over fotograferen gesproken, gisteren wist ik een piepkleine
grondeekhoorn van zo’n 10 cm afstand met de compactcamera van Els te
schieten. Het diertje had niets door; ik was uiterst behoedzaam
dichterbij geslopen met de camera in de aanslag. Het eekhoorntje
fotografeerde ik beeldvullend. Toen schoot het weg. Een Texaan, die
met een groot kanon aan het fotograferen was, spotte toen het
diertje en wist er enkele foto’s van te maken. Ik liet hem het
resultaat zien van onze kleine Canon en hij was stomverbaasd:”How
the …… “ enz. Ik vertelde hem van mijn tactiek; hij vond het
prachtig.
Aan het eind van de middag gaan we Yellowstone helaas uit. We zouden
in principe hier weken kunnen doorbrengen. Het is ons opgevallen,
dat we praktisch geen buitenlanders zijn tegengekomen, ook geen
Nederlanders. De vele gehuurde campers worden praktisch alle bewoond
door Amerikanen. Een uitzondering vormen de Japanners, want die zien
we wel geregeld. De Amerikanen die we zien en spreken komen
werkelijk uit alle delen van de V.S. Je hoort vele knauwvarianten
van het Amerikaans. Sommigen praten net als John Wayne, knauwend en
lijzig.
We doen wat boodschappen in West-Yellowstone en gaan naar de camping
terug. Ik heb besloten dat het nu tijd voor een kampvuur is. Het
lukt me met ‘fire-starters’ om het vuur vlot aan te krijgen, maar om
het brandend te houden is een hele kunst. Ik moet geregeld met de
KOA gids wapperen om zuurstof toe te voeren en het weer te laten
vlammen. Het vuurtje is bepaald niet rookvrij en dat ene dikke blok
had ik beter wat kleiner kunnen hakken, maar een bijl mee met
vakantie gaat me wat te ver. Het fikkie steken betekent vooral veel
blazen en veel rook en troep en in de rook zitten, want de bank is
niet te verplaatsen.
Morgen een flinke tocht naar Great Falls in Montana, dus vroeg onder
de wol.
Een echte lokale Amerikaanse rodeo!
Vrijdag, 12 juni 2009. Een wekker zetten hoeft niet als je maar op
tijd gaat slapen. En inderdaad, even na zessen zijn we uit de veren
en om kwart over zeven kunnen we vertrekken. Even daarvoor spreekt
een Amerikaan mij aan als ik alles aan het los-koppelen ben. Hij had
zich al dagen het hoofd gebroken over onze hobby. Met een zwaar
zuidelijk accent vraagt hij:”Howdy” en na mijn tegengroet vraagt
hij:”What is RoadBear? Are you bear collectors or something?” Als ik
uitleg wat RoadBear is, wenst hij me een ‘nice day’ en loopt met
zijn hond terug naar z’n motor home.
Wij hebben een weg uitgezocht die op de atlas als ‘scenic’ wordt
aangeduid. Korter zal het over de vlakte van Montana gaan, maar de
omgeving van de Interstate # 15 trekt ons aan. En de keus is prima.
Wij hebben een gevarieerde en ontspannen reis over louter 4-baans
snelweg. Dit klinkt misschien nogal tegenstrijdig: ontspannen en
snelweg, maar de weg is vaak aan beide zijden gewoon leeg. Bijkomend
voordeel, we dansen niet over de weg, zoals over de meeste
Amerikaanse highways, maar de weg is van een behoorlijke kwaliteit.
De landschappen wisselen voortdurend en we zien zelfs wild langs de
kant.
We zien langs de weg reclameborden voor een rodeo in Great Falls.
Het weer is geweldig geworden (26 graden Celcius in de schaduw) en
als we op de camping zijn, vragen we wat door. De rodeo is
bull-riding, dus het echte mannenwerk: op een woeste stier gaan
zitten en dan de arena in en zien hoelang je op het beest blijft
zit-ten. We gaan er om zes uur heen. Om zeven uur wordt de eerste
stier losgelaten. We zijn benieuwd.
Het is nu kwart voor zeven en we staan weer aangesloten en al op de
camping. Hoe zit dat nu? Wij rijden naar de opgegeven locatie. We
besluiten niet bij de benzine-pomp, zoals aangeraden, vast in de
voorverkoop plaatsbewijzen te kopen, maar gaan eerst maar eens
kijken. Nou, dat is me het boerengedoe wel zeg. Wij kennen van
filmpjes de rodeo in een stadion met marching bands vooraf en
overdekte tribunes. Dit is iets anders. Er staan een paar primitieve
houten tribunes, Het parkeren (en vooral het in het donker wegkomen)
met een camper van 10 meter is niet echt lekker; een modderig
terrein, waar vooral vuile 8-cilinder pick-ups worden gestald. We
zien ook voornamelijk paarden. De beloofde bulls zullen er
ongetwijfeld komen. Toiletten? Mwah, er zal ongetwijfeld iets
geregeld zijn. En dan last but not least. Er verschijnen grote
hoeveelheden donderkoppen aan de hemel. En onweer, wat wel degelijk
voorspeld is (kans 40%) wil je niet meemaken op zo’n terrein.
Kortom, dat was de eerste kennismaking met rodeo. Volgende keer
beter.
We hadden ook nog het idee om de vijf in de gids genoemde
watervallen te gaan bekijken. De Missouri stroomt door de stad en
zou vijf keer met watervallen zo’n 150 meter totaal vallen. De
campingeigenaresse zei, dat de watervallen (“falls”) hier de “five
damned falls” worden genoemd, omdat ze niet echt zijn. Er staan vier
dammen, die gebouwd zijn voor de witte steenkool. Het overtollige
water stroomt dan over de dam heen, nou, dat hebben we al beter
gezien dachten we zo. Ze zei dan ook, dat dit na Yellowstone en
Yosemite een enorme afknapper zou zijn. We gaan dus niet kijken.
We zitten nu lekker in de avondzon voor de camper en buiken wat uit
van de prima diepvriesmaaltijden, die we om vijf uur al hadden
genuttigd, namelijk lekker gevulde wilde zalm en (verse) groenten
erbij. Lekker en gemakkelijk.
Great Falls, crime city?
Zaterdag, 13 juni 2009. Een vreemd voorval later op de avond op de
plek naast ons. Er komt een 45’ diesel-pusher naast ons staan.
Volvette Amerikaan stapt uit en gromt een groet. Hij gaat het geval
aansluiten op elektra, water en afvoer. De stekker van zijn
aansluiting past niet en hij klooit een tijdje; snoer weer terug in
de camper. Dan het water; wil ook niet lukken, lekken en spuiten.
Mister wordt kwaad, sluit alles en rijdt weg. Wat schetst onze
verbazing: vanmorgen stond hij er weer, niets van gemerkt. En dan
ineens start de motor en de wagen verlaat de camping.
’s Nachts heb ik slecht geslapen. Om de haverklap gillende sirenes (hiiiiiiii,
hiiiiiiii, hiiiiiii, hoei, hoei, hoei, hoei, hiiiiiiii, enz.) op de
snelweg naast ons. Waar gaat dat heen; wie moeten ze oppakken? Ook
de locomotieven van de superlange goederentreinen die maximaal zo’n
50 mph rijden laten zich ’s nachts horen (hoeoeoeoeoAhahahahah).
Waarom dat is, weet ik niet. Om een uur of vijf komt een zwaar
propellervrachtvliegtuig laag overvliegen om op het nabij gelegen
vliegveld te landen. Els slaapt heerlijk door en ik ga maar eens
even op de computer kijken. La-ter kruip ik er maar weer eens in;
het blijft stil, maar ik slaap niet meer.
We vertrekken voor een relatief korte rit van ruim 200 km. We
besluiten de snelweg al bij Vaughn te verlaten en gaat over de
Highway # 89 naar het noorden. Na een aantal mooie bergtrajecten
komen we in het heuvelachtige terrein van de ‘plains’. Veel vee in
de wei. Als we ergens stoppen, houden werkelijk alle koeien op met
gra-zen en staan ons aan te staren. Er komt ook maar af en toe
iemand langs rijden en zo’n grote bak, die daar stil gaat staan….
dat is de gebeurtenis van de dag. In de verte zien we de prachtige
skyline van de Rockies.
We rijden langs vele historische ‘landmarks’. Er staat dan een bord
met een verhaal, bijvoorbeeld over de zwartvoetindianen en andere
stammen die hier woonden en nog wonen. Over een ontmoeting met een
ontdekkingsreiziger, waar ze de paarden en wapens van probeerden te
stelen. Over de Canadezen, die de indianen van wapens voorzagen en
over de dood van meer dan 500 indianen tijdens een barre winter,
waarin de voedselvoorziening door de Amerikanen schromelijk te kort
schoot. We zien ook in dorpen de schamele onderkomens van de huidige
indianen. Dit hebben we eerder ook gezien. Je ziet direct aan de
troep om het huis en de staat van de woningen, dat je in een
reservaat bent; het is triest om vast te stellen, maar het is gewoon
zo. Gemeld moet worden, dat uit de diverse stammen vele goede
bestuurders en succesvolle mensen zijn voortgekomen en dat de
verloederde woningen niet van de indianen zijn, die zich een stevige
plaats in de Amerikaanse maatschappij hebben verworven.
Pas na vele lange mijlen door dit groene landschap doemen de
machtige besneeuwde toppen van Glacier National Park op. We krijgen
de keus tussen “Glacier East” en “St.-Mary”. Els adviseert om St.-Mary
aan te houden. TomTom is het spoor bijster en roept voortdurend
“omkeren indien mogelijk” of “rechts af” bij een karrenspoor. Ik
besluit naar Glacier East te gaan. Dit is geen goede keus, want we
komen op een steile pasweg die akelig smal is. Els kijkt direct in
gapende afgronden zonder enige afscherming. Na een mijl of wat
vinden we een uitwijkplaats, waar ik met enkele keren steken weet te
draaien. Dus toch maar naar St.-Mary.
We komen aan bij de Oost Ingang van Glacier National Park en na de
controle van mijn handtekening en het bekijken van een tien minuten
durende film over het onderhoud van deze “Going-to-the-Sun Road”
kunnen we doorrijden tot het bord dat aangeeft, dat 21’ de maximum
lengte is om verder te gaan. Wij rijden met onze 32’ een prachtige
weg langs een wonderschoon meer in een schitterend berglandschap en
bij “Sun Point” kunnen we keren en terugrijden. De pas is dertien
mijl verderop afgesloten voor alle verkeer vanwege de sneeuw. We
horen, dat er zelfs explosieven voor nodig zijn geweest om delen
sneeuwvrij te krijgen, zo veel sneeuw ligt er. We rijden naar de KOA
Kampground en krijgen een mooie plaats met uitzicht op de besneeuwde
bergen.
Onze buurman, een gepensioneerde ‘oilman’ uit Texas (“Bush country”)
helpt mij met zijn gereedschap om de wateraansluiting goed aan te
draaien. Het is een gezellige man, die met zijn vrouw 3 maanden
rondreist door de VS en Canada t/m Jasper. Dat stuk doen wij dus
ook. We staan zelfs in Banff en Jasper op dezelfde campgrounds. Onze
andere buurman, ook met een 8-cilinder 4-wheeldrive met een 30’ 5th
wheel erachter, is een gepensioneerde professor scheikunde van de
universiteit van Columbia. Hij is met z’n vrouw 4 weken op pad en ja
hoor, ook hij reist morgen af naar Banff en Jasper, om daarna via
North en South Dakota terug te reizen naar Columbia. Met hem heb ik
een dik uur staan praten bij ‘ons’ kampvuur, dat nu wel goed bleef
branden, over de meest uiteenlopende zaken. Het is interessant de
parallellen te zien tussen de moderne jonge generatie van de VS en
Nederland. Zoveel verschilt dat helemaal niet; de mentaliteit is
niet zo anders. Alleen vinden wij over het algemeen, dat we het
beter doen. De VS is overigens druk doende – een beetje laat, dat
wel – om laagbetaald werk weer terug te halen naar de VS. Het barst
in bepaalde staten, zoals Georgia, N en S Carolina, Tennessee van de
goedkope laag opgeleide werkeloze jongeren en dertigers, maar ook
veertigers, die simpelweg ingezet kunnen worden voor
productiewerkzaamheden, die nu allemaal uit de VS zijn verdwenen.
Pak een willekeurig souvenir: made in China; een sweater: made in
China; een speelgoedbeest: made in Mexico; een shirt van het
prestigemerk Gant: made in Tur-key of India, ga zo maar door. Die
fabrieken moeten meestal nu nog worden ge-bouwd. Het is werkelijk
vijf voor twaalf.
Het kampvuur is nu voornamelijk gloeiende houtskool geworden; ideaal
voor barbe-cue, maar om daar om half elf nog aan te beginnen, nee
dus. Ik zit nog lekker met m’n winterjack in de vlammetjes te
staren. De contouren van de bergen worden va-ger; het is op de
camping doodstil en iedereen is terug in z’n hokje. Els is inmiddels
ook klaar en de badkamer is vrij. Ik blus het kampvuur; tjee, wat
een damp en gesis, het lijkt Yellowstone wel (dat in feite net zo
werkt, maar dan in het groot). Verhaaltje in de computer tikken en
naar bed.
Morgen gaan we de was weer doen en gaan we de bergen in om in een
restaurant met uitzicht over bergen en meren te lunchen.
Een noodweer in het hooggebergte is altijd zwaarder
Zondag, 14 juni 2009. We zijn wat later opgestaan. Het weer is
stralend. We gaan de was doen en voor het ontbijt doe ik de was in
de machine. Na zo’n driekwartier ga ik weer naar de laundry en doe
de was in de droger. Even later ligt alles schoon en opgevouwen in
de kast. We gaan een ander deel van Glacier NP doen en vertrekken.
De weg is wonderschoon met zicht op het Sherburne Lake. Wel vol
gaten en af en toe dirt road, dus langzaam vorderen we. Dan spotten
we een overstekende kat. Een kat? Wel wat groot voor een kat. Een
wolf? Wel wat klein en wat een staart! Het beest blijft enkele
tientallen meters van ons af in de bebossing zitten en kijkt ons
aan; poseert als het ware. We schieten er een paar prachtige foto’s
van – wat later blijkt – een coyote. Het dier heeft een prachtige
vosachtige staart, blijft nog even zitten en loopt dan rustig weg.
Later zien we een zwarte beer, wel wat ver voor een goede foto, maar
de simpele gebeurtenis van het zien van een dier in het wild is al
prachtig. Het dier is wel goed te zien, vrij ver weliswaar, maar
toch!
Een Japanse vrouw kijkt angstig naar de lucht en voorspelt “thunderstorm”.
Ik lach wat en maak een grapje, dat het onweer pas om vier uur komt,
waarop ze opgelucht “thank you” zegt. Dan wordt het nog geen tien
minuten later, als we buiten staan te telefoneren met Wouter,
plotseling zwart en donder en bliksem laten zich gelden. Er worden
daarboven enkele sluizen opgezet en het water komt met grote
hoeveelheid naar beneden. We kunnen dan niet eens verder rijden en
stoppen op een uitwijk-plaats samen met nog anderen. Het noodweer
neemt in alle hevigheid toe en ik voel me wat beschaamd over mijn
grapje naar de Japanse. We zien aan de overzijde van het meer het
Many Glacier Hotel, waar we zullen lunchen. Na een tijdje gaan we
weer voorzichtig rijden en dan wordt het allemaal nog heftiger. De
weg verandert in een beek. We moeten een brug over naar het hotel,
waar het woeste water maar net nog onderdoor kan.
Ik zet Els af vlak voor het hotel en ze kan naar binnen. Ik rij weer
door schuin naar boven, waar een parkeerterrein is. Dan net om de
bocht een laag viaduct zonder aanwijzing. Even krijg ik het warm,
maar dan schat ik dat het moet kunnen en rijd door; gelukkig, ik
blijk er toch ruim onderdoor te kunnen. Even later voeg ik me bij
Els en gaan aan het raam van dit prachtige klassieke hotel uit 1915
zitten. Het is een hotel met net zo’n sfeer als het berghotel uit de
thriller The Shining met Nicolson. In gedachte zie ik de barman die
aan Nicholson voorstelt hetzelfde drankje te drinken als altijd.
Als Els de lobby binnenkomt, hangt er een typische ouderwetse sfeer.
Tafels zijn nat en de bediening is ze met handdoeken aan het
droogmaken. Ook bepaalde banken en stoelen zijn nat. Het blijkt, dat
het hemelwater zo massaal naar benedenkomt, dat de glazen dakramen
en het dak zelf niet voldoende waterdicht blijken te zijn en op
verschillende plaatsen drupt het. Er is een groot openhaardvuur,
waar gasten om-heen zitten en zich warmen. Er is nog een plaats vrij
en Els gaat er lekker bij zitten. Dan kom ik binnen en we gaan op
zoek naar het restaurant. Het is er vrij leeg en een raamtafel is
gauw gevonden.
We eten best lekker, alleen weer zo onwijs volgeladen borden. De
bediening is ui-terst charmant. Het meisje vindt het prachtig, dat
we uit Nederland komen en wij zijn haar eerste “Europeans” dit jaar.
Feit is, zoals ik al eerder schreef, dat we nauwelijks buitenlanders
tegenkomen; het allemaal Amerikaans publiek.
Daarna lopen we nog wat door de lange gangen van het hotel en kijken
naar de vele foto’s uit het begin van de twintigste eeuw. Ook in The
Shining hingen die oude foto’s, je weet wel: foto’s met mensen die
eruit zien als je ouders vroeger en je grootouders. Je ziet open
auto’s, waar gasten mee aankomen en met z’n allen dan poseren voor
het hotel. Je ziet een foto waar het hele personeel voor het hotel
poseert, prachtig. Er zijn vele tientallen van die oude foto’s in de
gangen. In de gift shop van het hotel is prachtig aardewerk te koop,
echt kwaliteitsspul, maar mee-nemen is wel een probleem, we zitten
al zo vol met al die winterkleren.
We gaan via de supermarkt weer terug naar de camping, gaan een paar
partijtjes kaarten. Morgen maar een klein stukje rijden naar het
Waterton National Park in Ca-nada. Wij vermoeden, dat het er rustig
is, want iedereen die we spreken rijdt gelijk door naar Banff;
Waterton is maar 85 mijl hiervandaan, maar wel in Canada en met een
totaal verschillend aantal mogelijke tochtjes in het park aan de
Canadese kant.
Op de camping omgeven door wild op de eigen plaats
Maandag, 15 juni 2009. Gisterenavond een stevig onweer op de
camping. Het kampvuur hield dapper stand, maar moest uiteindelijk
het onderspit delven. Met een gallon water heb ik het uit zijn
lijden verlost! Lekker geslapen en vanmorgen naar Canada. Na een
prachtige rit door de bergen van Glacier komen we bij de grens; dit
is best spannend. Er staat een bord, dat we in de auto moeten
wachten tot een ‘offi-cial’ zich meldt. We wachten en wachten en dan
ineens een stevig geklop op de deur.
Ik doe open en de Canadese douanier wenst me goede morgen. Ik had de
man he-lemaal niet gezien en laat hem binnen. Hij kijkt wat om zich
heen, ziet de waterflessen in de gootsteen staan en vraagt of we ook
tabak hebben. Nee dus. Ook vraagt hij of we vuurwapens bij ons
hebben. Ook niet. Hij vraagt nog naar brandhout; dat hebben we
gelukkig gisteren opgestookt. Hout mag je namelijk wel meenemen,
maar geen hout, waar bast aan zit; men is bevreesd voor larven van
torren. Hij vraagt of wij materialen hebben, die we in Canada achter
willen laten en hoe lang we blijven. We noemen de datum waarop wij
van Vancouver Island naar de USA varen; hij checkt de paspoorten en
voorziet ze binnen van een stempel. We rijden Canada binnen!
We zijn geneigd om bij allerlei waarnemingen te menen, dat dit
“typisch Canada” is, maar we weten er eigenlijk geen bal van en gaan
maar gewoon kijken, luisteren, lezen en genieten. Al vrij snel zien
we een hert naast de weg, typisch Canadees…. en er steekt een
eekhoorn over, ook typisch. Nee dus, want die grens is natuurlijk
maar kunstmatig en de natuur heeft geen stempel nodig om rond te
stappen.
We rijden nu naar Waterton National Park. We betalen entree, want
het systeem is hier anders dan in de VS en een jaarkaart (per
persoon!) wordt veel te duur. We rij-den naar de Red Rock Canyon en
genieten van een ongekend mooi stuk natuur. Het is net of een
gigantische kloof met watervallen en woest stromende rivier op
schaal is gebouwd; alles is overzichtelijk en wondermooi. Er zit een
schilder rustig te schilderen en we lopen een eind langs de rivier.
De dieprode kleur van Utah zien we weer even hier in Canada.
Op weg naar de Red Rock Canyon rijden we een smalle brug over met
houten dek. De brug is tussen de beide railingen slechts 2,80 meter
breed en de camper is 2,50 meter, dus goed sturen! Qua gewicht geen
probleem; de brug is door het leger gebouwd. We rijden deze weg in
op advies van een Nederlander uit Helmond, die 32 jaar geleden naar
dit gebied emigreerde. Hij vertelt, dat er verderop een grote zwarte
beer langs de weg loopt. De rangers, die op dat moment langs komen,
bevestigen dit en adviseren vooral in de camper te blijven. We
rijden een lange smalle weg die doodloopt op een natuurcamping.
Verderop kunnen we via een lus door de camping terug; geen beer
gezien. En dan ineens zien we hem op de weg voor ons scharrelen. Een
zware grote beer, die ons volkomen negeert. We kunnen hem prachtig
fotograferen vanuit onze veilige hoge positie; wat een ervaring.
We rijden daarna nog een andere route vanuit Waterton Lake. We
eindigen bij een prachtig bergmeer op grote hoogte; het is stralend
weer, maar toch behoorlijk fris. Het verste deel van dit meer is
grondgebied van de VS; ook de machtige berg waar we tegenaan kijken.
Overal ligt nog sneeuw en het lijkt een beetje op Zwitserland.
Wat opvalt is de slechte staat van onderhoud van de sanitaire
voorzieningen. Terwijl in de nationale parken van de VS de toiletten
allemaal brandschoon zijn en voorzien van alle gemakken, incl. zeep,
papier, handdrogers en zelfs toiletbrildekjes (!), zijn de toiletten
hier in een abominabele staat en deins je achteruit, als je de deur
opendoet; wat een viezigheid!
Direct al aan de grens van Canada valt op, dat alles in het Engels
en Frans wordt aangeven. Alle officiële borden zijn dus tweetalig.
Probeer hier echter geen Frans te spreken, want niemand verstaat je
en niemand spreekt Frans. Een Amerikaans echtpaar, dat zes maanden
per jaar rondreist in de VS en Canada vertelt me, dat dit overal in
Canada het geval is, behalve in het Franstalige gebied van de
provincie Quebec; daar is alles uitsluitend in het Frans en kan je
met Engels nergens terecht. Is dit niet merkwaardig? Ik spreek met
een Canadees echtpaar, die kennissen hebben van Nederlandse afkomst.
De man heet Vanhook (fonetisch: venhoek). Oorspronkelijk heette zijn
grootvader “Van Hoek”, maar die heeft toen zijn naam geangliseerd.
Ik legde het verschil uit tussen “Hoek”, d.i. “corner” of “angle”,
maar zeker geen “hook”, hetgeen “haak” is in het Nederlands. Dit
werd goed begrepen en zij zouden het hem wel eens uitleggen; leuk
toch?
Dan gaan we naar de camping. We hadden gereserveerd, maar er is
volop plaats. We horen een fel gepiep, zeer staccato overal om ons
heen. Waar zijn die vogels dan? Het blijken geen vogels te zijn,
maar Colombiaanse Grondeekhoorns (Columbian Ground Squirrels). Even
denken we mollen te zien lopen op onze plaats, maar dan zien we dat
deze eekhoorns hun holletjes in de grond hebben; ze zitten overal en
zijn zeer actief. Ze hollen, springen en rollebollen met elkaar. Ze
zitten vaak rechtop net als stokpaardjes en kijken uiterst pienter
om zich heen. Als je ze te na komt, schieten ze direct weg in een
holletje. Je wordt door de campingleiding gewaarschuwd ’s nachts
alleen buiten te lopen met een zaklantaarn, om te voorkomen, dat je
in een holletje trapt. We kunnen wel steeds naar ze blijven kijken,
wat een koddige beestjes. Alleen al op onze plek zitten er wel vier.
We zijn omringd door wilde dieren, nou ja, diertjes dan, maar in
ieder geval wild.
Ook zijn hier veel wilde herten, die ook op de camping lopen en zich
bepaald niet gedragen, zoals de tamme hertjes uit de Nederlandse
hertenkampen. Ze kunnen zeer agressief zijn en je kan beter uit hun
buurt blijven. Ik spreek een echtpaar uit
Edmonton (Canada), die gisteren nog door een hert werd aangevallen
omdat ze hun hondje uitlieten en te dicht bij een hert kwamen, die
in de bosjes naast de weg toevallig stond. We zagen herten gewoon in
de tuin van een huis grazen. Maar het blijven wilde dieren.
’s Avonds eten we eenvoudig wat geroosterd brood met haring uit
blik. We hebben tussen de middag namelijk heerlijk geluncht in een
prachtig hotel met uitzicht op het Waterton Lake. Dit hotel - Prince
of Wales – is zo’n typisch luxe berghotel. We hebben weer het geluk
om een tafeltje aan het raam te krijgen (a table with a view) en
krijgen een prima lunch met veel verse ingrediënten opgediend en dit
alles voor een zeer redelijke prijs. Het hotel zien we later nog op
afstand vanuit de bergen en ook vanaf onze plek op de camping.
Morgen gaan we naar Banff en vertrekken vroeg. De rit is minder dan
400 km maar gaat geheel door de bergen en is zeer veelbelovend.
Banff National Park: natuur en toeristen
Dinsdag, 16 juni 2009. We besluiten om zelf een toeristische route
te plannen van Waterton naar Banff. Alle adviezen gaan naar de
snelweg, die via Calgary loopt. We hebben niet zoveel zin in al dat
verkeer en zijn ‘eigenwijs’. De weg loopt door vrij eenzame gebieden
met een bord als “No Service Next 135 km”. Wel zaak om voldoende
brandstof te hebben en zeker in de bergen….
De route is werkelijk prachtig en vooral ook rustig. Aan de
linkerkant zien we voortdurend de machtige contouren van de Rocky
Mountains. Het weer is prima en we schieten goed op. Het blijkt, dat
de TomTom steeds probeert ons via Calgary te gaan leiden, hetgeen
zeker 100 km langer is. Els blijft stug de eigen lijn op de kaart
volgen en op zeker moment geeft TomTom het op en het volgende
intrigerende scherm komt op:”KORTERE ROUTE GEVONDEN. ACCEPTEREN
JA/NEE”. Als we dan op “JA” klikken, capituleert TomTom en doet net
of zij het voor ons heeft bedacht.
We komen aan in Banff en betalen voor 2 personen 2 dagen verblijf.
In Canada betaal je namelijk per persoon per dag. Dit loopt aardig
op, maar de jaarkaart, zoals in de VS is nog veel duurder en voor
ons niet economisch.
We gaan boodschappen doen bij Safeway – het parkeren met onze grote
bak is een eitje – en nemen de ons bekende ‘Safeway Clubcard’, een
soort AH bonuskaart. De winkel is prachtig en we kopen een hoop
lekkere dingen. We wandelen wat door Banff. Wij gaan naar de Tunnel
Mountain Campsite met full hook-ups en staan prachtig tussen bomen,
maar ook met vrij uitzicht op de bergen.
Woensdag, 17 juni 2009. Het regent ’s morgens vroeg ‘cats and dogs’
en de weers-verwachting is conform. Als we ontbeten hebben, klaart
het wat op en we gaan de prachtige scenic road 1a rijden, die van
Banff naar Lake Louise gaat. Onderweg spotten we drie grazende
mannetjeselken; prachtige dieren en vlakbij. Dan gaat het weer
regenen en de uitzichten bieden nu niet veel spannends meer. De Bow
River ligt aan onze linkerzijde in de diepte. De spoorlijn loopt
mee. ’s Nachts en overdag horen we met grote regelmaat de loeiende
hoorns van de locs.
We komen bij de Johnston Creek en ik ga naar de Lower Falls
wandelen; 30 minuten staat er voor. Dit loopt toch wat uit, want die
tijd geldt ongetwijfeld voor atleten. Maar ik wil toch de waterval
zien en als ik er ben, blijkt deze zeer de moeite waard te zijn.
Trouwens de hele route langs catwalks en smalle paden is
fantastisch. Het kolkende water begeleidt je voortdurend met veel
gebulder. Als ik terugga, begint het weer te regenen en ik loop
steeds sneller en ben mooi op tijd terug. Opvallend is, dat de
toeristen zich niets aantrekken van regen. Voorzien van adequate
regenkleding en paraplus gaat iedereen vol goede moed op weg.
We passeren een monument, dat ons intrigeert. Een boerachtige figuur
en een plaquette. Hierop staat dat hier een interneringskamp was van
1915 t/m 1917. Het was Canada’s eerste nationale
interneringsoperatie tijdens de eerste wereldoorlog. Duizenden
immigranten uit het Oostenrijks-Hongaarse rijk, de meesten uit de
Oekraïne en een aantal zelfs al Canadees staatsburger, werden
verdacht van sympathieën voor de vijand en gevangen gezet. Dit
monument is opgericht ter herinnering aan hen, die in Castle
Mountain Camp gevangen zaten. Terwijl wij net weer terug zijn in de
camper komt een auto aangereden. Man en vrouw stappen uit. Vrouw
houdt paraplu boven fotograferende man, die na de foto onmiddellijk
omdraait en lopende op zijn camera het resultaat van de foto
bekijkt. De vrouw blijft nog even staan en volgt daarna haar
fotograaf. Ze stappen in de auto en rijden weg. Da’s nog eens
effectief sightseeing!
We rijden door naar Lake Louise. Het plaatsje is een grote
teleurstelling en bestaat uit een aantal giftshops, enkele quick
food restaurants en een postkantoor. We eten fish ‘n’ chips in het
Mountain Restaurant. De vis is OK, maar de chips zijn zo slecht en
vet, dat we er niets van eten. Als de ober vraagt of alles heeft
gesmaakt en naar de volle borden met smerige frites kijkt, vraag ik
hem:”What do you think?” Hij rea-geert wat aarzelend en vervolgens
vertel ik hem, dat er toch moed voor nodig is om zo iets op tafel te
durven zetten. Hij biedt nieuwe frites aan, hetgeen we accepteren.
Dit is iets minder smerig en ‘te eten’. We hebben een symbolische
fooi bijgeschre-ven van $ 1,32. Dan rijden we naar Lake Louise zelf,
het meer dus. Door de regen en de laaghangende bewolking is het
landschap natuurlijk wat somber. Het hotel is ongelofelijk luxe. Er
speelt een werkelijk beroemde harpiste bij de lunch en de
hotelwinkels zijn super-de-luxe. Hier hadden we toch beter kunnen
lunchen met prachtig uitzicht op het meer en ongetwijfeld betere
kwaliteit voedsel.
Op de terugweg naar Banff, toch weer over de 1a, zien we onze eerste
‘moose’, de eland. Dit is een prachtig gezicht, zo’n enorm dier in
het wild. Met de foto’s lukt het niet best; het beest verdwijnt snel
in de wildernis. Wij snappen eigenlijk niet goed, hoe zo’n dier het
redt tussen al die bomen en struiken met dat enorme gewei.
We hebben nu enkele dagen kunnen genieten van de Canadese nationale
parken. Iets wat zeker opvalt is het veel commerciëlere karakter van
deze parken t.o.v. de Amerikaanse parken. De laatste worden zo veel
mogelijk natuurlijk gelaten. Een enkel hotel (in Yellowstone), wat
gebouwen van de rangers en verder toiletgebouwen bij de
verschillende uitzichtpunten. Hier in Canada zijn er dus complete
zwaar toeristische dorpen, zoals Banff en Lake Louise met een massa
toeristen. Ja, het is het drukst in de dorpen, gelukkig maar. Er
zijn vele vakantiedorpen met bungalows, en vele restaurants met
grote parkeerterreinen en eetzalen met Van der Valkachtige
afmetingen. Verder loopt er eigenlijk maar één enkele weg door zo’n
park met soms zijwegen (één in Banff en twee in Waterton), terwijl
in de Amerikaanse parken vaak meer rondwegen (‘loops’) mogelijk
zijn. Terwijl je in de V.S. vrij gemakkelijk vanaf de
parkeerplaatsen de natuurlijke attracties kunt bewonderen, moet je
in Canada vanaf deze parkeerplaatsen vaak een flink eind lopen, soms
enkele kilometers met flink hoogteverschil. En het stereotiepe beeld
van Canada, namelijk erg veel naaldbomen en daarachter machtige
rotsachtige bergen, wordt voortdurend bevestigd en dat is prachtig.
Wat ook opvalt, is dat je over de Japanse en Zuid-Koreaanse
toeristen werkelijk struikelt. Zeer veel winkels worden gerund door
Japanners en er wordt bijvoorbeeld personeel gevraagd met een bordje
zowel in het Engels als in het Japans. Kleding “Made in USA” of
“Made in Canada” is bijna niet te vinden. Praktisch alle kleding,
ook de typische Westernkleding, komt uit China en daarnaast uit
India en Mexico. Dit viel ons in de VS ook al op. De kwaliteit is
werkelijk zeer matig; het is gewoon goedkoop spul. Als je iets moois
ziet en het is in de VS of Canada gemaakt, is de prijs uiteraard
navenant. Een bodywarmer “Made in China” kost bijv. $ 42,-- en een
mooie Western bodywarmer (met houthakkersvoering) kost $ 148,--. Een
leren vest “Made in Mexico” kost $ 85,-- en handgemaakt door
zwartvoetindianen $ 520,-- (in de uitverkoop voor $ 260,--, maar
toch).
Op de camping hoeken we weer aan en gaan ons verheugen op de mooie
reis van morgen, namelijk de beroemde Icefield Parkway richting
Jasper, waar we weer twee nachten overnachten. Dit wordt de meest
noordelijke plaats van onze rondreis.
De Gletscher van Al Gore.
Donderdag, 18 juni 2009. De dag begint veelbelovend met prachtige
laaghangende wolken over de bergen gedrapeerd alsof een banketbakker
een bruidstaart versiert. De weersverwachting is optimistisch en we
vertrekken om 08:00 uur. Nog voor we de Highway # 1 bereiken, kunnen
we alweer genieten van vier grazende elken langs de weg. Dan gaan we
de 4-baans snelweg op richting Icefield Parkway en de eerste grote
vrachtwagen haalt ons al weer in.
Dan gaat de Highway # 1 naar het westen en gaan we de Highway # 93
rijden, waar geen ‘commercial vehicles’ meer mogen rijden. We rijden
Jasper National Park in en rijden langs de prachtige Bow River. De
landschappen zijn overweldigend in de morgenzon met al die prachtige
luchten. Er liggen grote hoeveelheden sneeuw op de bergen aan onze
linkerzijde. De combinatie van de ontoegankelijke bergen met de
enorm uitgestrekte naaldbossen en daaronder grote blauwgroene meren
is zo Canada, althans wat wij ons van Canada hadden voorgesteld. Ook
hier zien we toch grote aantallen dode bomen. We begrijpen nu goed,
wat het gevaar hiervan is, behalve dan dat het niet mooi is. De
oorzaak ligt bij insecten, vandaar de angst voor import van larven
in de bast van brandhout. Het gevaar is verhoogd risico van
bosbrand; dood hout brandt gemakkelijker en in no time staat alles
in lichter laaie.
We maken de mooiste bergfoto’s ooit; het is richten en knippen. Mede
door de luch-ten zijn ze spannend. We bezoeken de watervallen in de
Mistaya River. Deze komt uiteindelijk uit in de Saskatchewan River,
maar eerst dondert het water met onvoor-stelbaar geweld door een
smalle diepe kloof. Het is adembenemend om vlakbij dit natuurgeweld
te staan. De kracht van het water is enorm. We zien prachtige
opaalkleurige meren met die typische kleur, die je altijd bij
gletscherwater ziet.
©
USA4ALL & Alexander en Els Verkuijl

  
|