Kan een vrachtwagencombinatie met twee
gigantische aanhangers in vliegende vaart een fietser op tien
centimeter afstand passeren? Toegegeven, het moet razend moeilijk
geweest zijn maar het wás te doen. Het gebeurde op interstate 285
die dwars door de Rocky Mountains gaat.
Twee dagen eerder ben ik in Denver met mijn fietstocht begonnen:
bestemming Las Vegas. Haarspeldbochten waar bergmassieven in Europa
een patent op hebben zijn hier onbekend. In de Rocky’s gaat de weg
gewoon urenlang rechtuit omhoog en slingert zich als een serpent
door het Pike National Forest. Het is uitgestorven. Bewoning is er
niet of nauwelijks: wat zijn charmes heeft. Geen hoempapadorpjes als
in de Alpen, alleen maar oorverdovende stilte in een bijna ongerepte
natuur. En net als je denkt dat ze de weg alleen voor jou hebben
aangelegd, scheurt er een levensgrote vrachtwagen met over de
honderd kilometer per uur enkele centimeters langs mij heen. Giddy
up Go Daddy. De schrik slaat er meteen goed in. Na dat incident gaat
het fietsen een vorm van koorddansen worden. Want de uiterste rand
van de weg wordt bereden. Maar het avontuur blijft. En dat is
urenlang in de bergen rijden om het dorpje Fairplay te halen, waar
volgens de Lonely Planetgids een motelletje is.
De Rocky Mountains zijn precies zoals ik het dikwijls op National
Geographic zag. Maar in het echt nog indrukwekkender, stiller,
leger, en ruiger dan vanuit de luie stoel. Doorzichten op besneeuwde
toppen, donkere wouden, afgewisseld door prairieachtige stukken. Dan
wordt de stilte doorbroken door een zacht gebeuk. Tegen de bosrand
aan staan twee grote herten met de koppen tegen elkaar aan te slaan.
Wat kan hen nou een fietser uit Amsterdam schelen als de bronstijd
er aan komt, de hinden gewillig zijn en de hormoontjes door het
hertenlijf gieren. Maar naast het ‘beestenspul’ ook opeens, zomaar,
tussen bemoste dennenbomen, een vervallen blokhut. ‘Bob Ross’ is het
eerste wat je te binnen schiet. De Amerikaanse tv-schilder (,,zullen
we er nog een boompje bij zetten’’) had een octrooi op dat soort
landschappen.
Maar het gemijmer over pulpschilders, bronstige herten en
bloedstollende natuur maakt plaats voor een soort radeloosheid als
de zon onder begint te gaan, de weg nog steeds naar de hemel lijkt
te leiden en Fairplay in geen velden of wegen te bekennen valt. En
net als je gaat denken aan een nacht in de open lucht ligt, als een
vliegepoepje, Fairplay voor je, wat niet meer blijkt te zijn dan een
restaurantje, benzinestation wat morsige huisjes en dat ene
motelletje. Of ik even mee wil komen vraagt een dag later de
eigenaar van Mothers Home Cooking aan mij. Ik heb zojuist een
ontbijt op van gebakken aardappelen, eieren, worstjes, toast,
pannenkoeken, weggespoeld met een kan koffie. Ik moet een speld
prikken in een wereldkaart op de plek waar ik vandaan kom. Aan het
aantal spelden te zien komen er niet veel Nederlanders in zijn
tentje en ik ben de eerste uit Amsterdam.
Bulkend van het reuze ontbijt stap ik op de fiets om mijn lang
verwachte beloning in ontvangst te gaan nemen, want na een tien
kilometer lang plateau begint een afdaling van zestig kilometer lang
richting Salina. Het woord ‘kicken’ is een eufemisme. Dit is
genieten van de snelheid waar je niets voor hoeft te doen, en maar
kijken naar rondvliegende roofvogels, wegspringende hertenroedels,
en, wat was dat? Een wolf of coyote?
Van de Rocky's tot aan de staatsgrens met Utah moeten Salida,
Gunnison, Montrose en Grand Junction worden gepasseerd. De
slopersbal heeft in de laatste drie stadjes regelmatig
rondgeslingerd. Salida waren ze vergeten en blijkt een puntgaaf
westerndorpje te zijn, met gevelwanden die in Hollywood geen gek
figuur zouden slaan. In de hoofdstraat verwacht je dat goudzoeker
Chicken Joe met zijn muilezels de hoek komt omslaan. De uitlopers
van de Rocky's komen uit in het prairiegebied van West-Colorado. Na
het stadje Montrose gaat de interstate 50 dwars door een soort
godverlaten en verwilderde Flevopolder op weg naar Grand Junction.
‘...en ik wil zelfs stoppen met het schrijven van gemene stukjes en
ga alles doen om mijn leven te beteren, maar asjeblieft Heer, zorg
dan wel dat ik water krijg', hoor ik mij zelf zeggen. Wat begon als
een lichte ongerustheid verandert in een paniek die ik langzaam in
mijn lijf omhoog voel kruipen. Het zal mij toch niet gebeuren dat ik
zonder water kom te staan in een van de droogste woestijnen van
Amerika?
Vanaf Grand Junction, de laatste stad in Colorado, moet ik de sprong
naar Moab maken. Honderdnegentig kilometer dwars door de San
Rafaelwoestijn. Rond 1850 trok Brigham Young met duizenden
volgelingen er doorheen om in het westen de mormonenstaat Utah te
stichten. Na Young waren de legendarische treinrovers Butch Cassidy
en de Sundance Kid er actief. Het vervoermiddel van Young en zijn
mormonen waren ossenkarren. Butch en de Kid reden op paarden. Ik doe
het op een Concorde mountainbike voorzien van meer dan twintig
versnellingen. Maar wat heb ik aan dat ‘spacy' materiaal als ik
bijna droog sta. Twee bidons water is meer dan genoeg had ik mij ’s
morgens voorgehouden. Wat een misplaatste arrogantie en wat een
naïeve gedachte.
Het bord, dat opeens langs de weg opdoemt, gloeit als het vlammende
zwaard van de aartsengel. ‘10 Miles, Gasstation', lees ik tot mijn
grote opluchting. God Bless America staat er met grote letters op de
gevel van het tankstation, de Stars en Stripes hangt halfstok, en
overal grijnst die oorlogszuchtige dombo vanuit het Witte Huis mij
tegemoet. Voor het geval een buitenstaander het vergeten mocht zijn,
het is vandaag 11 september. Maar wat kan mij een Osama bin Laden,
en Bush nou schelen als mijn huig aanvoelt als het geslachtsdeel van
Toetanchamon.
Een liter Coca-Cola, een grote zak chips en voldoende schaduw, meer
heb ik niet nodig. De cafeïne en de suiker van de cola, zout en
koolhydraatjes van de chips doen wonderen. Hier kan geen dure
sportdrank of voeding tegen op. Hersteld begin ik aan de laatste
zeventig kilometer naar Moab. De interstate 190 is kaarsrecht en
volkomen verlaten. Het is 45 graden, mijn stuur voelt roodgloeiend
aan, en het water en de flesjes Cola in mijn tassen staan op
kookpunt. Naast mij rijdt een meterslange pikzwarte renner, die ik
maar niet kan afschudden. De zon is bezig haar laatste stralen over
de vuurrode rotsen te persen. En dan gebeurt er iets geks. ‘Keuze
maken, keuze maken’, klinkt het op de ritme van ieder pedaalslag.
Mijn brein dwingt mij te kiezen tussen generaal Montgomery of
veldmaarschalk Rommel.
‘Sodemieter op’schreeuw ik tegen iedereen en niemand. ‘Ik ga voor
Ome Fritz!’Ach gut, Ome Fritz, al weer vele jaren aan gene zijde
maar was een van de aardigste collega’s waar ik als jonge leerling
handzetter mee te maken had. Ome Fritz die als Duits jochie van
achttien jaar voor zijn nummer werd opgeroepen en moest vechten in
het Afrikakorps. Ome Fritz met zijn prachtige en spannende verhalen
over El Alamein, ijskoude woestijnnachten, Britse sluipschutters en
zijn brandende haat aan doedelzakmuziek. Motel Benelux is de
naam van het motelletje, waar ik met zoutkorsten overdekt binnen
val. De eigenaresse, een Française, beheerst het Engels als
inspector Clouseau. Natuurlijk wil ik een ‘reum' en een pot bier,
godverdomme nog-aan-toe, voeg ik er in het plat Amsterdams aan toe.
Het blikje Budweiser giet ik met een teug naar binnen en als ik in
de louncespiegel kijk geloof ik mijn ogen niet. Daar staat Ome Fritz!
‘Goed gedaan jungen’ hoor ik hem zeggen. Oververmoeid
zoek ik mijn kamer op. Las-Vegas is nog ver weg.
©
USA4ALL & André Stuyfersant

  
|